Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgekeerd, zijn veel grooter en maken den indruk van vrij groote, van den omtrek naar buiten uitgaande stralen.

Zeer opmerkelijk zijn in dit opzicht ook eenige Cruciferen uit de geslachten, Algssum, Schild zaad; Dentaria en Sisgnibriuin, Raket. Daarvan kan men niet zeggen, dat de aan den omtrek van het scherm staande bloemen eenzijdig ontwikkeld zijn en toch zien ze er volkomen uit als „stralende bloemen". Dit komt doordat bij deze planten de kroonbladeren niet afvallen, nadat de vóór hen staande stempels met stuifmeel belegd zijn, maar blijven zitten, als de bladeren van een boek tegen elkaar gaan rusten en, wat het merkwaardigste is, zelfs nog geruimen tijd blijven voortgroeien. Als de bloemen van Algssum iHoiitanum, het Bergschi 1 dzaad en van Algssum Wulfenianum en Algssum ciuieatum, afgebeeld op blz. 210 in Fig. 5, het hoogtepunt van hunne ontwikkeling hebben bereikt, als door hun helmknoppen stuifmeel en in het binnenste hunner bloemen aan de insecten honig wordt aangeboden, vertoonen de gele schijven der bloembladeren een lengte van 3 tot 4 millimeter; als eenmaal de helmknoppen hun stuifmeel hebben afgegeven en de bloem van honig is beroofd, als de stempel verdroogd is en do vruchtbeginsels al tot vruchtjes uitgroeien, is de schijf der kroonblaadjes li tot 7 millimeter groot geworden, zooals op de afbeelding van blz. 210 in Fig. 6 en 7 te zien is. Terwijl dus de op het hoogtepunt harer ontwikkeling staande bloemen in hot middelveld van den schermvonnigen tros klein en onaanzienlijk zijn, vertoonen zich de aan den omtrek van den tros geplaatste oude bloemen met de vergroote kroonbladeren als duidelijke stralen en doen daardoor de geheele bloeiwijze met den besten uitslag in het oog vallen. De oude bloemen hebben hier, tot voordeel van haar jongere buren, de taak der aanlokking van de insecten op zich genomen.

Bij tal van planten bepaalt zich het verschil, tusschen de randbloemen van die uit het midden in één en hetzelfde hoofdje, niet alleen tot vergrooting en éénzijdige ontwikkeling, maar er zijn daar geheel van elkaar afwijkende vormen van bloemen ontstaan. De bloemen van het middelveld staan bij hen rechtovereind en hebben den vorm van kleine buizen, die aan den rand staan straalsgewijs naar buiten, zijn grooter en veel opvallender gekleurd en hebben óf den vorm van korte, breede schijfjes, als bij Duizendblad, Achillm, óf van lange, smalle tongetjes, als bij Wolverlei, Aniirti montunn. Bij de Korenbloem, Centauren egnnus, afgebeeld op blz. 210 in Fig. 13, en de hiet haar verwante soorten, hebben de randbloemen den vorm van trechters met gespleten zoom. In liet inwendige dezer trechtervormige bloemen zookt men te vergeefs naar meeldraden en stampers; de bloemen zijn onvruchtbaar, geslachtloos, „leég" of „loos".

Er is dus in het bloemhoofdje van de Korenbloem oen volledige verdeeling van arbeid tot stand gekomen. Alleen de bloemen van het middelveld zijn voorzien van meeldraden en stampers en deze hebben in de diepte der bloembuisjes den voorraad zoeten honig geborgen; zij alleen kunnen na dat bevruchting heeft plaats gehad, de vruchten vormen. Ze zijn echter zeer nietig

Sluiten