is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over het ontstaan der soorten terugkomen, niet zonder beteekenis; hier wilden wo voorloopig reeds even op deze omstandigheid de aandacht vestigen.

Wat betreft de waarneming van den geur der bloemen door dieren, kunnen we ons licht vergissen, omdat ons oordeel in hoofdzaak gebouwd is op onze eigen reukgewaarwording, en het zeer best mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk is, dat het reukvermogen der bloemenbezoekende dieren in den grond verschillend is van het onze.

De reuk van den mensch zetelt in een scherp begrensd gedeelte van het slijmvlies in liet bovenste deel der neusholte. In een eigenaardig netwerk komen daar de opperhuidcellen van het slijmvlies met de laatste vertakkingen deireukzenuw samen, en op dat beperkte gebied moeten de geuren onmiddellijk werken, als er een reukgewaarwording zal ontstaan. Dat is echter alleen dan mogelijk, wanneer de reukstoffen als geuren in de lucht zijn verdeeld, en wanneer de aldus bezwangerde lucht strijkt over het genoemde gedeelte van het slijmvlies van den neus. Men nam in vroegeren tijd aan, dat de over liet slijmvlies strijkende stoffen daar in eene vloeistof werden opgelost, zich in opgelosten toestand verspreidden en alleen op die wijze op de zenuweinden konden werken. Die opvatting is echter met een reeks van feiten in tegenspraak, waarvan wij de belangrijkste even zullen noemen.

Zooals bekend is, ruiken wij ook sommige metalen, welker fijnst verdeelde van de besproken massa losgeraakte deeltjes in den neus komen, ofschoon deze metalen zeker niet oplosbaar zijn in door het slijmvlies afgescheiden vocht. Evenzoo leert de ervaring, dat wij kort na elkander zeer verschillende stoffen kunnen ruiken, wat niet het geval zou kunnen zijn, als de reukgewording gebonden was aan de voorafgaande oplossing van de reukstof in de vloeistof, die het slijmvlies bevochtigt. Bijzonder belangrijk is hier het feit, dat de reukorganen van veel dieren in 't geheel geen slijmvlies bezitten. De kolven en kegeltjes aan de oppervlakte der sprieten, die de reukorganen der insecten vormen, staan wel aan de ééne zijde met tot gangliën opgezwollen zenuweinden in verbinding; maar van een slijmvlies of een daarop gelijkend orgaan, dat een vloeistof zou bevatten of afscheiden, is aan deze reukorganen niets te bespeuren, en toch munten de insecten door een buitengewoon fijnen reuk uit.

De prikkeling der zenuweinden in liet reukorgaan kan dus niet het gevolg zijn van een voorafgaande oplossing der reukstof, maar moet als overdracht van een beweging worden aangemerkt. Het ligt voor de hand, zich voor te stellen, dat de moleculen der in de lucht verdeelde reukstoffen zich bevinden in een draaiende, slingerende of tenminste in een zekere trillende beweging, en dat ze die beweging op de uiteinden der reukzenuwen overbrengen, zoodra ze met het reukorgaan in aanraking komen. Daar de uiteinden der zenuwen niet bloot liggen, moet die overbrenging plaats hebben door de boven die einden gelegen deelen, en het zal van den bouw van deze opperhuidslaag, die onmiddellijk aan de lucht grenst, afhangen, of die tusschenkomst sneller of langzamer en meer of nrnder volkomen plaats heeft.

Opdat da prikkeling van de zenuweinden, die wij als een bewegings-