Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steunpunt bij do verklaring van het op verren afstand speuren der geuren, dat we bij dieren opinérken. Wij spreken van dit „speuren der dieren, dat de Duitschers „Wittern" noemen, als uit andere waarnemingen kan worden opgemaakt, dat het dier geuren ruikt, die door ons op gelijken afstand van de voorwerpen, welke den geur verspreiden, niet kunnen worden geroken. Daar nu uit de vroegere uiteenzettingen over den reuk blijkt, dat de dieren geuren kunnen ruiken, die door onze reukzenuwen in 't geheel niet worden waargenomen, mag het ons ook niet verbazen, dat de bijen naar de bloemen van Ampelopsis vliegen van afstanden, waarop ze die bloemen door den gezichtszin niet kunnen waarnemen. Zij ruiken de voor ons geurloozc bloemen van den Wilden Wingerd dan op 300 pas afstands, even goed als wij op gelijken afstand de bloemen der Wijnstokken.

Uit den overvloed van merkwaardige waarnemingen, die gedaan zijn over het reukvermogen der dieren, boezemen ons hier alleen die belang in, die betrekking hebben op het bezoek, door insecten aan bloemen gebracht, en op twee daarvan willen we hier in 't bijzonder wijzen.

Vóór eenige jaren werd de van Cyprus afkomstige Aroïdee Dmcunculus cretkm geplant aan den rand van een klein naaldhoutboschje in den Weener Botanischen Tuin. In den omtrek van vele honderd passen was geen mesthoop te vinden noch een enkel tot rotting overgaand dierlijk lichaam, en ook van aasvliegen en aas was er heinde en ver geen spoor te ontdekken. Toen echter eens in den loop van den zomer de groote, zakvormige bloeischeede dezer Aroïdee was opengegaan, kwamen dadelijk van alle zijden tallooze aasvliegen en aaskevers erop af. Voor don mensch was de uit de bloeischeede uitstroomende indoloïde geur alleen op een afstand van eenige meters merkbaar; de genoemde dieren moesten hem echter over afstanden van vele honderde meters ver hebben geroken.

In dienzelfden tuin is op één plek een Kamperfoelieplant, Loiticera cajirifoliuiii geplant, en deze wordt in den zomer tegen den tijd der schemering graag bezocht door de groote |ook bij ons veelvuldig voorkomende | avondvlinders, de W i nd ep ij lstaa rten, S/ihiux conrotvuli. Deze sfinxen zijn gewoon, nadat ze honig hebben opgezogen, en als de schemering voor den nacht heeft plaats gemaakt, zich in de buurt van de plant neer te zetten op de schors van oude boomstammen of op afgevallen, op den grond liggende bladeren, en blijven daar zitten met samengevouwen vleugels, alsof ze verstijfd zijn, tot den avond van den volgenden «lag. Op een zomerdag werd een stuk hout, dat door een Windepijlstaart tot rustplaats was gekozen, met de grootste voorzichtigheid van den grond opgenomen, de vlinder werd op één plek met vermiljoen gemerkt en met het stukje hout, waarop hij onbewegelijk was blijven zitten, naar een ander punt van den tuin gebracht, dat 300 schreden van de kamperfoelieplant was verwijderd. Toen de schemering viel, schudde de vlinder de hem tot reukorgaan dienende sprieten eenige malen heen en weer, rekte de vleugels en vloog toen als een pijl uit den boog naar die richting van den tuin, waar de kamperfoelieplant stond. Kort daarna werd de met vermiljoen gemerkte sfinx

A. Kf.rn kr von Mabilaun, Hot leven dor planton. III. 10

Sluiten