Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkander toe en vormen zoo een hollen kegel, een koepel of een gewelf, 't geen als de klepvormige bloemligging wordt aangeduid. Er komen ook verscheiden combinaties van die bloeniliggingen voor, zooals bij voorbeeld bij de Klaproos, welker ineengefrommelde kroonbladeren gelijktijdig dakpansgewijze liggen; en bij sommige Sileneeën, als Diunthus neglectus, glaciulis enz., welker dakpanswijze gelegen bloembladeren gelijktijdig opgerold zijn. Ook komt het voor, dat in dezelfde bloem do bladeren van den kelk een andere ligging hebben dan die der kroon. Zoo zijn bij do reeds herhaaldelijk als voorbeeld gekozen Papaverbloemen de bladeren van den kelk klepvormig gelegen, die deikroon daarentegen hebben eene dakpansgewijze en ineengefrommelde bloemligging.

Bij de tweelippige bloemkronen, welker afzonderlijke deelen in vorm en grootte verschillend zijn, bespeurt men wel in hoofdzaak een dakpanswijze bloemligging, maar het ligt in de natuur der zaak, dat hier zeer talrijke en eigenaardige wijzigingen zich voordoen, van welker uitvoerige schildering wij hier echter moeten afzien. Slechts een paar bijzonder veelvuldig voorkomende gevallen zullen nog kortelings worden vermeld, omdat ze planten betreffen, die later nog dikwijls worden genoemd, namelijk de Lipbloemigen en de Scr ophular ineeën. Bij de eerste is allereerst de omhoog gebogen, middelste, groote lob van de onderlip als een deksel geplaatst vóór de buis der bloemkroon: daarop zijn de beide zijslippen der onderlip gelegen en die worden weer door de naar beneden gebogen bovenlip bedekt. In de bloemknoppen van Teucriiini, Gamander, is de middelste slip van de onderlip zoo ver omhoog gebogen, dat ze als een holle kegel zich over de helmknoppen welft, en bij het tot de Scrophularineeën behoorende geslacht Lee uwe bek, Antirrfrimim, alsook bij Vlasbek, Linarin, wordt de inwendige afsluiting van de diepte der bloem door het omhoog gewelfde deel van de onderlip gevormd, het zoogenaamde verhemelte. Dit wordt door do omhooggeslagen middelste slip van de onderlip bedekt en die weer door de beide naar beneden geslagen lobjes van de bovenlip.

Al die den toegang tot het inwendige der bloem versperrende grendels en deuren worden ten slotte opgelicht en weggeschoven. In de gevallen waarin de bloembladeren, nadat ze als beschuttende omhulsels hebben gediend, geen verdere werkzaamheden meer hebben te verrichten, worden ze als overbodig geworden organen verwijderd; niet andere woorden, zij vallen af, als de bloem zich opent. Dit komt wel niet zeer dikwijls voor/ maar wordt toch bij een algemeen bekende plant, namelijk bij den Wijnstok, Vit ia, waargenomen. De kroonbladeren van den Wijnstok hebben een klepvormige bloemligging en vormen een geheel, dat koepelvormig zich welft over do helmknoppen, den stamper en den bloembodem; ze zijn groen gekleurd, steken tegen het gebladerte niet duidelijk af en kunnen dientengevolge later ook niet dienen als aanlokkingsmiddel voor insecten. Ook overigens hebben ze geen bijzondere rol te vervullen, ja, ze zouden in bepaalde omstandigheden zelfs bij de in de inflorescenties later zich afspelende processen hinderlijk zijn, en het is dus voordeelig als de bloemen

Sluiten