Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeker gerechtigd, aan te nemen, dat de lichtstralen de bloemen der Gentianen kunnen doen opengaan.

Hoe ongerechtvaardigd en eenzijdig het echter zou wezen, te willen beweren, dat alleen het licht deze bloemen doet opengaan, blijkt uit de volgende met dezelfde Gentianen gedane controleproeven. De des avonds gesloten bloemen bleven den geheelen nacht door blootgesteld aan een temperatuur van 7° en werden hierop in een donkere ruimte boven de verhitte, warmte uitstralende ijzeren platen van een oven op een plaats neergezet, waar de thermometer 42° aanwees. Binnen drie minuten waren ze volkomen geopend.

Deze schijnbare tegenstelling vindt hare verklaring in de opvatting, dat het licht, 't welk de in den glazen cylinder staande, gesloten bloemen der Gentianen trof, in warmte werd omgezet. Zooals bekend is, kunnen immers lichtstralen, zoodra ze een voorwerp treffen en niet volledig worden teruggekaatst, dit lichaam verwarmen, zooals in Deel II op blz. 188 is aangetoond. Dat was ongetwijfeld ook bij deze Gentiaanbloemen het geval, en men zou zich het geheele proces op de volgende wijze kunnen voorstellen. Het arbeidsvermogen in den vorm van licht wordt op de bloemen overgedragen en omgezet in den anderen vorm, dien wij warmte noemen. Door do warmte echter worden in het weefsel der bloemen weer veranderingen teweeggebracht in den turgor, in de spanning der weefsels en zeker ook in den groei. Dus wordt de warmte weer omgezet in een anderen vorm van arbeidsvermogen en ten slotte heeft die verandering in den stand der kroonbladeren plaats, die zich aan ons oog voordoet als het opengaan der bloem.

Deze verklaring is ook in overeenstemming met de voorstelling, dat door den invloed van licht en warmte het watergehalte van bepaalde cellen in afgestorven weefsels een snelle verandering kan ondergaan, en dat ook nog in gedeelten der bloem, welker cellen geen levend protoplasme bevatten, veranderingen in de spanning, met andere woorden bewegingen kunnen worden veroorzaakt. Zij is verder ook in harmonie met de voorstelling, dat het periodieke opengaan en sluiten der bloemen met die chemische omzettingen en moleculaire veranderingen, die ademhaling, stofwisseling en groei worden genoemd, in verband staan. Een feit is het, dat de bloemen, die zich periodiek openen en sluiten, na hun eerste opengaan nog niet hebben opgehouden te groeien, maar nog aanhoudend zich verlengen en verbroeden. De bloemdekbladeren van de Kerstroos, Helleliorus niger, van de Tijloos, Colchicum; van Anemonen en Gentianen; de lintbloemen in de hoofdjes van Bellis, Madeliefje; Calendula, Goudsbloem en ltoromnini, Duizel kruid, groeien in eiken nacht een heel eind in de lengte. (Zie blz. 129). Slechts zoolang ze groeien, heeft een periodiek openen en sluiten plaats; zoodra ze ophouden met groeien, zijn ook die merkwaardige bewegingen ten einde.

Met de voorstelling, dat in het weefsel der bloembladeren licht in warmte wordt omgezet, is ook de in Deel II op blz. 189 gestelde hypothese over de

Sluiten