is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen in den stand, waarbij de insecten er gemakkelijk op aan kunnen vliegen en zich erop kunnen neerzetten, en inderdaad blijft ook bij Stanhopea en bij de meeste andere, dergelijke Orchideeën de draaiing van het vruchtbeginsel uit, zooals we die bij Oncidiutn papilio opmerken. Bindt men daarentegen een jonge inflorescentie] van Stanliopea door een draad kunstmatig omhoog, zoodat de spil van de bloeiwijze recht overeind staat, dan draaien zich alle bloemen ervan binnen 24 uur met een hoek van 180°, zoodat dus in de rechtovereindstaande aren de bloemen ten slotte juist op dezelfde manier in de ruimte zijn geplaatst als de bloemen der hangende aren.

Interessant is ook de omstandigheid, dat zich bij vele planten alle knoppen, die uitgaan van de bloemspil, die rechtovereind staat, naar denzelfden kant keeren, zoodat daardoor eenzijdige aren en trossen ontstaan, zooals men in 't bijzonder bij 't Vingerhoedskruid, Digitalis, en bij de soorten van 't geslacht Pentstemon waarneemt. Steeds keert zich de toegangspoort der bloemen naar die zijde, van waar 't bezoek der insecten of der kolibri's is te verwachten. Als bij voorbeeld een Dii/italisplant op de grens staat van bosch en weide, zijn alle bloemen van het aan insecten arme, schaduwrijke woud af gewend en gekeerd naar de met hommels en bijen rijk bevolkte, zonnige weide.

Sommige Lipbloemigen uit het geslacht Salvia, Salie en Satureja, Boonekruid, keeren de monding van al bun bloemen alleen dan naar denzelfden kant, als ze dicht vóór een steilen muur of wand staan. Zoodra ze naar alle zijden vrij op vlakken bodem kunnen opgroeien, zijn hun bloemen naar alle richtingen der windroos geplaatst, Eveneens is het gesteld met die planten, welker gewone standplaats de smalle randen tegen oude muren in ruïnen of de terrassen van steile rotsen is, als bij voorbeeld Groote Leeuwebek, Antirrhinum majus, welker bloemen met de toegangspoort steeds van den muur of den rotswand afgekeerd zijn, en dit ook dan, als deze achterwand door de zonnestralen goed verwarmd en sterk verlicht wordt.

Tot de bezoekers der met de toegangspoort zijwaarts gekeerde bloemen behooren talrijke zweefvliegen, kleine uilen, sfinxen, kolibri's en over 't algemeen alle dieren, die, voor de bloemen zwevend, honig zuigen. Zij behoeven geen steunpunt en daarom missen ook de door hen bij voorkeur of uitsluitend bezochte bloemen elke inrichting, die als steunpunt kan dienen of die als een plaats, waaide insecten op kunnen aanvliegen, moet worden beschouwd. Deze bloemen hebben geen vlakke uitsteeksels of lijsten of franjes, geen uitwassen ook of verhevenheden, waarop de dieren, die komen aanvliegen, zich kunnen neerzetten en waaraan ze zich kunnen vasthouden. De slippen van den zoom, die in den knoptoestand den ingang afsluiten, zijn bij voorbeeld bij Kamperfoelie, Lonicera caprifolium, in de geopende bloemen geen geschikte rustplaatsen voor insecten. Bij de door de schemeringvlinders of sfinxen bezochte Platantliem bifolia, de Weide Breedknop, en bij de door kleine kolibri's bezochte Melianthus major zijn de slippen zóó geplaatst, dat ze volkomen onge-