Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den in de bloemen voortgebrachten honig door den in do buurt der b 1 ade ren afgescheiden honig, zooals die bescherming bij verscheiden soorten van Balsamienen, met name bij de inden Himalaya inheemsche Imputiens triconiix wordt waargenomen. Bij deze plant zijn de aan den voet van ieder blad staande twee steunblaadjes in klieren veranderd. Een dier klieren is zeer klein en onvolkomen ontwikkeld, de andere daarentegen is in 't oog vallend goed uitgegroeid. De laatste heeft de gedaante van een vleezig. naar boven flauw, naar beneden sterk gewelfd schijfje, is gedeeltelijk vastgegroeid aan den voet van het blad, gedeeltelijk aan do opperhuid van den stengel, en is zóó geplaatst, dat allo insecten, die van onderop tegen den stengel omhoog gaan, onvermijdelijk er voorbij moeten. l)e in het weefsel van dit schijfje gevormde en daardoor afgescheiden honig verzamelt zich op de half bolronde, naar beneden gekeerde opzwelling van dit schijfje en blijft daar als een druppel hangen. Op die wijze ontmoeten de insecten, die van den grond af over den stengel naar de honigrijke bloemen willen gaan, aan den voet van ieder groen blad een grooten droppel honig, die hun den weg verspert, en zij vinden dat, wat hun in de bloemen zoo begeerlijk schijnt, in rijken overvloed en veel gemakkelijker naderbij in de buurt der stengelbladeren. I)e insecten, met name do op zoete plantensappen zoo beluste mieren, zijn dan ook niet schroomvallig en gaan gretig snoepen, laten zich den hier aangeboden honig wel smaken en bekommeren zich niet meer om do hoogerop geplaatste bloemen.

Inderdaad vindt men ten gevolge van doze inrichting in do bloemen der hiipafii-nx trieomis nooit mieren, terwijl do op den weg naar de bloemen gelegen vervormde steunblaadjes door die dieren formeel worden bestormd. In de bloemen zouden die kleine dieren zeer onwelkome gasten zijn, omdat ze daar bij het lionigbereidonde uitgestulpte kroonblad achter in de bloem zouden komen, zonder stuifmeel oi stempel aan te raken. En niet genoeg, dat ze daar honig zouden kunnen stelen, zonder kruisbestuiving tot stand te brengen, ze zouden ook de gevleugelde insecten verdrijven, waarvoor die honig bereid is, die insecten namelijk, die bij 't zuigen van het zoete vocht uit liet honigdragende kroonblad de helmknoppen aanraken, zich den kop met stuifmeel beladen en het in andere bloemen overbrengen op de stempels. Men is op grond van deze waarneming volkomen gerechtigd, deze afleiding der onwelkome gasten als een beschuttend middel voor den honig der bloemen te beschouwen, zoo al niet als een, dat onmiddellijk, dan toch zeker als een, dat middellijk werkt, zooals men ook in het leven der menschen do afleiding van de begeerte naar een bepaald voorwerp als een bescherming van dat voorwerp beschouwt.

De honigafschoiding door de steunblaadjes, waardoor de afleiding der op zoete plantensappen zoo beluste mieren van de bloemen plaats heeft, begint Dij Iih/MiHens tricot-nis altijd eerst, wanneer deze plant hare bloemknoppen opent. Wij moeten dit hier zeer in 't bijzonder op den voorgrond stellen, omdat men liet vermoeden beeft uitgesproken, dat de honig uit de steunblaadjes tot taak zou hebben, middellijk do groene bladeren voor vraatzuchtige rupsen, slakken, kevers enz. te beveiligen. Men heeft namelijk bij verscheiden planten de

A. Kkrxkr von Marilaln. Oef. leven der planten. III. 18

Sluiten