Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval komt do klevende zelfstandigheid door diffusie op de oppervlakte van de cellen, die men kliercellen noemt. Soms wordt de kleverige inhoud der cellen ook wel vrij, doordat de buitengewoon fijne wand der kliercellen bij een geringe drukking barst, waarbij dan de kleefstof overgaat op hot lichaam, dat de drukking veroorzaakte, en eraan blijft hechten.

Het meest treft men do als beschuttingsmiddelen der bloemen tegen opkruipende dieren dienende kleefstoffen op de bloemstelen en de bloemspillen der infloroscenties aan. Hier vallen ze zoo sterk in het oog, dat het verschijnsel zelfs den vluchtigsten beschouwer niet kan ontgaan. Verscheiden planten hebben zelfs in den volksmond namen, die op de kleverigheid van de stengels en op de overeenkomst met lijmstokken zinspelen, zooals bij voorbeeld liet Ti ij m kruid, Silene, en de Lt/chnis riscaria door de Duitschers „Pechnelke", [ten onzent l'ikanjelier of Pek anjer] genoemd. Ook de plantkundigen uit vroeger tijden hebben vele planten namen gegeven, die herinneren aan de eigenschap, dat hun stengels op lijmstokken gelijken en daaraan vaak kleine dieren blijven kleven, zooals de namen Silene niuxeipula r Roridula nutxcipula en de soortsaanduidingen viscidus, rixcoxus, ciscocixxinius, ijhitinosus enz., die in de familiün der Scrophularineeën, Lipbloemigen en Caryophylleoön, alsook bij de geslachten Ledum, Cistus, Linunt, Ai/uileg ia en Robin'ui vaak terugkeeren.

Hij de Muurachtigen uit de geslachten D'mnthux, Anjelier; Lijehnis, Koekoeksbloem en Silene, Lijmkruid, waarbij lijmstokaehtige stengels zeer dikwijls worden aangetroffen, is ook te zien, dat de kleverige laag werkelijk tot taak heeft, de bloemen tegen do aanvallen van opkruipende dieren te beschermen, liet benedenste gedeelte van den stengel, waar geen bloemen zitten, is bij deze planton, bij voorbeeld bij Diunlhus ciseidus, Lychnis rixcariu, Silene niuseipula, groen en vertoont geen spoor van liet roodbruine, klevende overtrek; dit laatste begint altijd eerst onder het bladerpaar, uit welks oksels bloemdragende takjes voortkomen. Ook is aan de bloemspil van de inflorescentie elk lid alleen aan de bovenhelft, dus slechts in de onmiddellijke nabijheid der bloemen, als lijmstok ingericht (zie de afbeelding op blz. 174).

Nog veelvuldiger dan het overtrek van kleverige, uit de spleten dor gebarsten cuticula te voorschijn tredende stoffen, is de bekleeding der bloemstelen met klieren en klierharen, die kleverig aanvoelen, en waar de kleine dieren bij de geringste aanraking aan blijven hechten. Als voorbeeld van de vele hiertoe behoorendo planten diene de op blz. 278 in /•'/</. <> afgebeelde Kpimedium al pi num met gestoelde kleverige kliertjes op de bloemstelen, een tot de Berberisarh tigen behoorendo sierplant. Op de schubben van 't omwindsel der bloenihoofdjes en der bloenienbundeltjes, alsook op de kelken en ouderstandige vruchtbeginsels vindt men kleverige overtrekken bij de geslachten Grindelin en i lundextina; klierharen en gestoelde klieren vooral bij Linnaen; ('repix, Streepzaad; Ribes, Aalbes; Circaen, Heksen kruid; Saxifraya, Steen breek en bij I'liimbdi/o, waarvan op de afbeelding van blz. 278 verschillende soorten als voorbeelden te zien zijn gegeven, in de Fiij. 1 tot 5, 7 en 8.

Een hiertoe behoorende eigenaardige inrichting vertoont ook de op blz. 270

Sluiten