Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgebeelde Cupliea micropetala, een sierplant behoorend tot de Lythraceeën. Zooals aan Fig. 4 op de volgende bladzijde te zien is, zijn hier de kroonbladeren tot miniem kleine, lancetvormige blaadjes geworden, ingeplant op de kelkbuis aan den bovenrand van nisvormige inzinkingen. De kelk is bontgekleurd, buisvormig, 22 tot 28 millimeter lang en 6 tot 7 millimeter breed, aan den voet achter het vruchtbeginsel heeft hij een uitzakking, die aan haar binnenzijde overvloedig honig afscheidt. Het schuin geplaatste vruchtbeginsel is betrekkelijk

Kleverige klier ha ren tot bescherming der bloemen tegen om hoogk rui petulo dieren. 1. Bloem van Linnaect borealis. 2. Kelk, onderstandig vruchtbeginsel en schutblaadjes van deze bloem. 3. Drie lintbloempjes uit een bloemhoofdje van liet Moeras Streepzaad, Crep in pahidosay met een deel van het eronder zich bevindende, van klierharen voorzien omwindsel. 4. Bloem van Vlumbayo europaea^ waarbij de ribben van den kelk met gesteelde kleverige klieren zijn bezet. 5. Bloem van de Kruisbes, liibes grossularia, met kleverige gesteolde klieren op het onderstandig vruchtbeginsel, ü. Bloem van Kpimedium alpinum met gesteelde kleverige klieren op den bloemsteel. 7. Bloem van Sax<fraga eoutroversa, waarvan het voorste deel is verwijderd, met kleverige gestoelde klieren op den bloemsteel en den buitenkant van den kolk. 8. Bloem van het Alpen Heksenk ruid, Circaea al pi na, waarbij het onderstandig vruchtbeginsel met kleverige klieren bezet is. — Fig. 5 natuurlijke grootte, de overige figuren 2- tot 1 O-maal

vergroot. Zie blz. 277.

groot en vertoont daar, waar het in den stijl overgaat, een verhevenheidje, dat dicht aansluit tegen den bovenwand der kelkbuis, zooals in Fiy. 2 te zien is. Daar ook de beide zijwanden van het vruchtbeginsel dicht tegen de kelkbuis aan zijn gelegen, is de honig in de bedoelde uitzakking van den kelk als door een stop afgesloten.

Er is echter naast het vruchtbeginsel, zooals in Fiy. :5 van nevenstaande afbeelding is aangegeven, rechts zoowel als links een naar voren trechtervormig verwijde gleuf, en daardoor ontstaan er twee, 0,5 millimeter wijde kanalen, die

Sluiten