Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar glijden geregeld uit en boeten hun poging, om van het zoete plantensap, dat ze roken, te snoepen, met een val op den grond van verscheiden meters hoogte.

Ofschoon er geen bepaalde waarnemingen zijn genoteerd, ligt het toch voor de hand, dat ook bij MeHantlius, lkntaria, Saiifjuinaria, Fritillaria en verschillende andere planten, welker lange, ten gevolge van een wasovertrek gladde stengels en takken honigrijke bloemen bezitten, aanval en verweer op dezelfde wijze plaats vinden.

Door zulke met was en met kleverige stoffen bedekte toegangen worden van de poort der bloemen vooral die ertegen opkruipende insecten tegengehouden, welke een vrij stevige chitinebekleeding bezitten, en daaronder weer in de eerste plaats de op zoete plantensappen zoo beluste vleugellooze mieren. Een minder afdoend beschuttingsmiddel vormen die stoffen tegen slakken. Deze dieren laten zich niet in 't bijzonder afschrikken door de kleefstoffen. Zij weten de gevaarlijke plaatsen daardoor te passeeren, dat zo daar slijm afscheiden, dat bet vastkleven verhindert. Daarentegen zijn de slakken, als over 't algemeen alle dieren met zachte, weeke opperhuid, zeer gevoelig voor dorens, stekels en stijve haren, en terwijl het den mieren gelukt, over de stekelige bladeren en de met scherpe punten gewapende omhulsels der bloemhoofdjes van Distels ongedeerd voort te loopen, houden dieren met een week lichaam halt bij zulke plaatsen en trachten elke aanraking met die prikkende dingen te vermijden.

Tegen die zachthuidigo dieren bestaat er geen beter weermiddel dan stekels, spitse tanden en stijve, stekende borstelharen, geplaatst op den weg die naar de bloemen leidt. Alleen moeten wij erop wijzen, dat die dieren, met name slakken en rupsen, geen honig en stuifmeel zoeken, maar dat ze voor de bloemen gevaarlijk worden, doordien ze geheele bloembekleedselen, meeldraden en vruchtbladen opeten. Zoo valt voor een deel de beteekenis der stekels als beschermend voor de bloemen samen met die van beschuttingsmiddel voor de stengelbladeren, en dus kunnen wij hier verwijzen naar de schildering, die in Deel II op blz. 70 is gegeven. Slechts twee zaken moeten ten opzichte van deze verweermiddelen hier nog worden vernield; ten eerste, dat in al die gevallen, waarin niet enkel de bladeren, maar ook de bloemen tegen opkruipende dieren moeten worden beschermd, het aantal stekels des te grooter wordt, hoe dichter de plek bij de bloemen is gelegen; en ten tweede, dat in zeer vele gevallen de 0111 de bloemen heen staande stekels niet enkel als beschuttingsmiddelen tegen onwelkome gaston moeten worden opgevat, maar tegelijk ook als wegwijzers moeten worden beschouwd, waardoor de aanvliegende, honigzoekende dieren genoopt worden in de bloemen daar binnen te gaan, waar ze zich met stuifmeel kunnen beladen of het uit andere bloemen meegebrachte stuifmeel op den stempel kunnen afstrijken.

De laatste opmerking heeft in 't bijzonder betrekking op de uit talrijke dicht opeengedrongen bladeren bestaande omwindsels der bloemen, waarover de insecten heen moeten stappen, als zij de met honig gedekte tafel willen bereiken. De kleine tot hoofdjes en bundels vereenigde bloemen

Sluiten