Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Scrophularineeën behoorende Mexicaansche slingerplant Lopltospermum scandens is de tot vijf honigbakjes verwijde bloembodem door een propje van zachte, fijne haren afgesloten, gedeeltelijk op het vruchtbeginsel, gedeeltelijk aan den voet der meeldraden gezeten, en dat wel door een krachtigen snavel gemakkelijk kan worden doorbroken, maar aan kleine insecten den toegang weigert. Bij de bekende slingerplant Cobaea scant!ais, afgebeeld op blz. 284 in ƒ'/,/. 5, is de voet van eiken meeldraad als gehuld in een wit pelsje en de vijf pelsachtige haarbundels vormen samen een formecle afsluiting, waardoor de bloemklok verdeeld is in een achterste, honigbevattende ruimte en een voorste afdeeling, waarin zich de helmknoppen en de stempels bevinden.

In de bloemen der Tulpen, (zie de afbeelding hiernaast in Fitj. 4) wordt de honig door de meeldraden afgescheiden, Elke meeldraad is van onderen, aan de naar het bloenulek gekeerde zijde uitgehold, en die holte is met honig gevuld. Het honiggroefje ligt echter onder een daarboven geplaatst bosje haren totaal verborgen, en insecten, die den honig willen winnen, moeten binnendringen onder het haarbosje en den geheelen meeldraad oplichten. Bij Daphne blagat/tina, afgebeeld hiernaast in Fig. <>, is liet gesteelde vruchtbeginsel in haren gehuld en daardoor wordt de op den bodem der bloem door een vleezigen ring overvloedig afgescheiden honig tegen den roof door onwelkome gasten beveiligd. In de bloemen der op de Pontische steppen inheemsche Vitten herbacea, afgebeeld in Fit/. 8 tot 10, zijn de toppen der meeldraden, zoowel als de schijfvormige top van den stijl, bezet met haren, die van weerskanten in elkander grijpen en daardoor een sluiting bewerken van de kroonbuis op een wijze, die doet denken, dat er een prop watten in de opening der buis is gestoken.

Een der eigenaardigste van de hier nog te noemen inrichtingen vindt men in de bloemen van Centrantltus ruber, de Spoorbloom, een uit /uid-Europa afkomstige sierplant, mede hiernevens afgebeeld in Fig. 2 en 3. Hier is namelijk de 12 millimeter lange en nauwelijks één millimeter wijde buis van de bloemkroon door een vliezig, dun middenrif in de lengte in twee afdeelingen verdeeld, waarvan de bovenste en nauwste den draadvormigen stijl bevat, terwijl de een weinig wijdere benedenste afdeeling naar achter uitloopt in een zakvormigc verlenging, de spoor die honig afscheidt. l)cze benedenste afdeeling is nu, te beginnen bij de monding van voren, tot aan do met honig gevulde spoor, zeer dicht mot haartjes bezet, die wel toelaten, dat er een snuit of roltong kan binnendringen, maar die voor kleinere insecten het doordringen tot den honig onmogelijk maken. Daar deze haartjes met hun toppen alle naar de middellijn der buis zijn gekeerd, zooals op de afbeelding in Fig. te zien is, vormen ze in zekeren zin den overgang tot de kransen van haren, de luiken en de traliewerken, die boven als tweede vorm der in liet inwendige der bloemen ontstane haargroepon werden aangeduid.

Het veelvuldigst bestaan de fuiken en traliewerken uit rechte, veerkrachtige haren of franjes, die uitgaan van een ringvormige lijst of een opstaanden rand aan de binnenzijde van het buisvormige gedeelte der bloemkroon, en, zooals gezegd is, gericht zijn naar liet midden van do kroonbuis. Nu eens treft

Sluiten