Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als op de gemakkelijkste plek, om en zich op neer te zetten, en van daar voortstappen naar de met honig gevulde kanalen van de bloemdekbuis, komen daarbij onder het dakje van de grooto bladachtige stempels en tegelijk onder den meeldraad, die zoo is gebogen en zulk een stand heeft ingenomen, dat hij precies beantwoordt aan de kromming van rug en achterlijf van den hommel. Geregeld wordt dan ook het stuifmeel op den rug van het dier afgestreken en dit daarmee beladen.

Op dergelijke wijze strijken bijen, die in de opengesperde bloem van de Zwaardlelie, Gladiolus; van Doovenetel, Lamiurn, en van andere Lipbloemigen binnengaan, de helmknoppen, die dicht onder de bovenlip zijn verborgen, met den rug af en worden alleen daar met stuifmeel beladen. Datzelfde geldt van de hommels, die in de groote klokken der Gloxinia's binnengaan en in de bloemen van het Vingerhoedskruid, Digitalis, om naar den honig op te klauteren, of zich wagen in den muil van het Leeuwebekje, Antirr/tinum en den Vlasbek, Linaria. In de laatstgenoemde bloemen zijn twee

Lengtedoorsnede der bloem van de Nachtkaars, Oenothera biennis.

paar groote helmknoppen gelegen dicht onder liet dak van de bovenlip, en het daaruit vrijkomende stuifmeel vormt twee ronde balletjes, die door de binnenkomende insecten op eens uit de nissen der helmknoppen losgemaakt, op den rug geladen en naar andere bloemen overgebracht worden.

De vlinders, die, vóór do naar den kant gekeerde bloemen van Oenothera, Nachtkaars, zwevend, hun roltong in de lange, hierboven afgebeelde, met honig gevulde buis der bloem steken, strijken daarbij met den kop langs de helmknoppen, die den ingang der bloembuis omgeven, en worden ook hoofdzakelijk op dat lichaamsdeel met stuifmeel bedekt. Datzelfde geldt van de honigvogeltjes die den bruinen nectar uit het bekervormige, onderste kelkblad van de Melianthusbloeinen, afgebeeld op blz. 266 in Fit/. 12, willen snoepen en daarbij de daarboven geplaatste helmknoppen met den kop aanraken.

De bloemen, welker inrichting ten doel heeft, dat de naar den honig in de diepte der bloem gaande insecten met buik, rug, schouder, kop of ook alleen met de monddeelen het stuifmeel afstrijken, zijn trouwens zoo vele en zoo velerlei, dat het met liet oog op de in dit werk beschikbare ruimte onmogelijk is, alle

Sluiten