Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te noemen. Daarom zullen alleen nog een paar van de meest in 't oog vallende worden besproken, wat des te vlugger en gemakkelijker kan geschieden, daar juist deze inrichtingen met de reeds bij een vorige gelegenheid behandelde beschermingsmiddelen van den honig ten deele samenvallen.

In do eerste plaats moet hierbij worden gedacht aan de van binnen van doorntjes of stijve, spitse borstelharen voorziene bloemen. Het is bekend, dat de honigzuigende insecten, met name de hommels, zeer veel zorg dragen voor hun snuit, dat ze dien, als hij niet gebruikt wordt, zorgvuldig leggen in bepaalde gleuven van hun' lichaam, en ook dan, als ze hem gebruiken, zorgvuldig vermijden, hem tegen vaste punten te stooten, omdat hij daardoor licht beschadigd zou kunnen worden. Door spitse doorntjes of borstelharen in de bloemen wordt daarom aan de insecten, die hun snuit naar binnen steken, precies de weg voorgeschreven. Zij ontwijken namelijk de puntjes, en terwijl ze dat doen, komen ze op de baan, waarop ze rug, kop of snuit onvermijdelijk met stuifmeel moeten beladen. Zoo is liet bijvoorbeeld gesteld met de bloemen van eenige Cruciferen, als Brai/u aljrina, Mul co! win afrieana en maritima (waarvan de laatste op achterstaande afbeelding in Ficj. (i is voorgesteld), waar de insecten door twee groepen van rechtovereindstaande, stijve, spitse borstelharen, welker drager liet vruchtbeginsel is. verwezen worden naar dien weg tot den honig, waarop ze met snuit of kop langs de met stuifmeel bedekte helmknoppen moeten strijken.

Dit laatste geldt ook van de bloemkroon eener Lipbloem, namelijk van Leonurus heterophyllus, afgebeeld op blz. 29(5 in Fi<j. 7, waar in de bloem achter de onderlip, dus bij den ingang der buis, een belegsel van spitse doorntjes te zien is. Insecten, die den honig uit de diepte willen winnen, en die daarbij de aanraking met de doorntjes willen vermijden, zijn genoodzaakt, met den snuit dicht onder de bovenlip binnen te dringen, waarbij ze strijken langs de zich daar bevindende, met stuifmeel bedekte antheren. In de bloemen van vole kleine Gentianen uit de Hoog-Alpen, als bijvoorbeeld Gentiaan glaclalis en Gentiaan naiio, is de ingang tot den bodem der bloem bedekt door vier klepjes, welker gespleten randen zoo buigzaam zijn, dat het binnendringen van krachtige insecten best mogelijk ware. Maar als zij dien weg gingen, zou de sruit geen enkelen helmknop raken, 't geen juist wel moet geschieden. Daarom wordt het inslaan van den bedoelden weg belet, want de slipjes der kleppen zijn met spitse doorntjes dicht bezet. De insecten vermijden dien gevaarlijken weg en gaan liever tusschen de aauhechtingspunten der klepjes door, waar ze voldoend wijde en ongevaarlijke toegangen tot den honig vinden. Terwijl de dieren echter dezen ingang gebruiken, strijken ze langs de met stuifmeel bedekte helmknoppen, die er vlak naast staan.

In vele gevallen is de noodzakelijkheid, het stuifmeel met den snuit af to strijken, den insecten opgelegd, doordat er naar den honig slechts een enkel kanaal leidt, welks ingang door randen van cal 1 usweefsel of door schubben en kleppen vernauwd is, en doordat om die vernauwde opening of dicht daaronder de helmknoppen staan. Zoo is het bijvoorbeeld

Sluiten