Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met stuifmeel bedekten kant dicht boven den ingang tot den honig komen te staan. Andere bewegingen der meeldraden, die dezelfde bedoeling hebben, neemt men waar bij talrijke Caryophylleeën, llanunculaceeën, Steenbreken, Crassulaceeën en Droseraceeën.

De bloemen der hier bedoelde tot de eerstgenoemde familie behoorende planten, de Muuraclitigen, hebben een dergelijken bouw als de revolverbloemen: de kroonbladen zijn genageld, dat is, zij bestaan uit een benedenste, smal, in den buisvorniigen kelk gestoken gedeelte, den nagel, uiiyuis, en het boven den kelk vlak uitgespreide deel, de plaat, lamina. Door het midden van den nagel loopt een gleuf of groefje tot op den bodem van de bloem, en aan het boveneind van dat groefje, daar, waar de vlinders hun zuiger of rol tong moeten binnen brengen, ziet men op den zoom helder gekleurde vlekken en stippen, soms ook paarsgewijs gerangschikte schubbetjes en dergelijke aangebracht, die den ingang duidelijk aanwijzen en het insteken van den zuiger moeten regelen en vergemakkelijken. Bij deze Caryophylleeën worden die helmknoppen, die kort te voren zijn opengesprongen en stuifmeel hebben aan te bieden, zoo vóór en naast den ingang geplaatst, dat do vlinders, die met hun zuiger in de openingen dringen, noodzakelijk bet stuifmeel op monddeelen en kop meedragen. Is dat geschied, dan buigen de helmdraden zich op zijde of krommen zij zich onder de plaat der kroonbladeren, en er komen andere meeldraden aan de beurt, welker helmknoppen dan vóór de bedoelde groeven en ingangen komen te staan.

Bij sommige Ranunculaceeën, met name bij Eranthls, Winteraconiet; llelh'borus, Kerstroos; hop//rum; Xiijelltt en Troll-ius (de laatste afgebeeld op blz. 296 in bUj. 11) staan om de talrijke, het midden der bloem innemende stampers, talrijke in verschillende kransen gerangschikte meeldraden. Deze worden omgeven door een krans van kleine peperhuis- of buisvormige, met honig gevulde kroonbladeren, de zoogenaamde nectariën, en deze worden weer omsloten door groote, gele, witte, roode of blauwe bladeren, die men als bloemkroonachtige kelkbladen aanduidt. Kort nadat zich de bloem heeft geopend, zoodat het inwendige toegankelijk is geworden, springen de helmknoppen van den buitensten krans van meeldraden open. De helmdraden daarvan hebben zich verlengd en draaien en buigen zich 1111 zóó, dat de helmknoppen juist boven de monding der met honig gevulde bekertjes komen te staan. Insecten, die den honig willen opzuigen, moeten onvermijdelijk langs deze helmknoppen strijken. Den volgenden dag bewegen zich de leden van den eersten krans van meeldraden naar buiten, naar de bloemkroonachtige kelkbladeren, en tegelijk nemen de meeldraden van den volgenden krans hunne plaats in, namelijk die van den krans, die verder naar binnen, naar het midden van den bloembodem ontspringt. Op den derden dag zijn ook die naar buiten gekeerd en vervangen door de leden van den derden krans. Zoo gaat het voort, tot ten slotte alle meeldraden op de rij af hun helmknoppen boven de nectarbekers hebben geplaatst. Dat alles geschiedt met een nauwkeurigheid en stiptheid, die in hooge mate do verbazing van den waarnemer moet gaande maken.

Sluiten