Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarachter gelegen schotelvormige kroonbladeren. Aan de naar liet vruchtbeginsel gekeerde zijde der helmdraden, dus aan hun binnenzijde, heeft de bloem beneden overvloedig honig aan te bieden, afkomstig uit saffraangele verhevenheden op do kroonbladeren. Deze honig wordt door bijen en hommels opgezocht, die, als ze komen aanvliegen, aan de naar beneden omgebogen bloemtrossen gaan hangen. Vaak komen hierbij de insecten reeds dadelijk met de voorpooten in de bloemen en raken daarbij de helmdraden aan; onvermijdelijk worden echter de helmdraden aan hun voet aangeraakt, als de insecten met den snuit in de bloem dringen, om er den honig weg te snoepen. De geringste aanraking echter, op de helmdraden in hun benedenste derde gedeelte uitgeoefend, werkt als prikkel, heeft een verandering in de spanning der weefsellagen ten gevolge en veroorzaakt een plotselinge beweging, waardoor de geraakte meeldraden snel met een ruk omhoog springen. Bij deze beweging slaan de helmknoppen tegen het insect aan, dat erdoor met stuifmeel wordt beladen. Vooral wordt door den slag de kop van het insect getroffen; maar ook do snuit, waarmee de insecten zijn binnengedrongen, en de voorpooten, waarmee ze de binnenruimte der bloem hadden betreden, worden van stuifmeel voorzien.

Op dergelijke wijze als bij de Berberis geschiedt het beladen der insecten met stuifmeel in de bloemen der tot de Cactaceeën behoorende Opuntia's. Bij Opuntia vidrjaris gaan de betrekkelijk groote bloemen bij heldere lucht om negen uur in den voormiddag open. Men ziet dan in de bloem den vleezigen, vierlobbigen stempel, die den kegelvormigen, dikken stijl kroont en de gemakkelijkste plaats vormt voor de aanvliegende insecten, om zich op neer te zetten. De stijl verrijst uit een kuiltje, dat overvloedig van zoeten honig is voorzien, en om dit honigbakje staan rechtop zeer talrijke, niet alle even lange meeldraden. De geopende helmknoppen van deze meeldraden zijn overdekt met kruimelig stuifmeel, hun helmdraden zijn in liet benedenste gedeelte bleekgeel, verder naar boven glanzig goudgeel.

Raakt men nu het glanzige, goudgele gedeelte van een helmdraad eener Opuntia aan, dan kromt zich dit terstond in een halfcirkelvormigen en tegelijk een weinig schroefsgewijs gedraaiden boog naar binnen, naar den stijl toe en reikt heen over het met honig gevulde kuiltje, waaruit de stijl oprijst. Komt er nu oen bij aanvliegen, dan gaat zij eerst zitten op den boven de helmknoppen uitstekenden grooten stempel en tracht van daar naar liet met honig gevulde groefje neer te klauteren. Daarbij is echter de aanraking van het prikkelbare gedeelte van den helmdraad onvermijdelijk, en zoodra die plaats heeft, krommen zich de aangeraakte draden over de bijen en beladen hen met het gemakkelijk van de helmknoppen af te strijken stuifmeel. Het is aardig, dit schouwspel aan te zien en waar te nemen, boe zich kort na elkander de talrijke draden in groepjes naar het tot de diepte der bloem afdalende insect overbuigen en er tegen aan slaan.

De honigzoekende bij wordt daarbij volstrekt niet verschrikt door het buigen der meeldraden en door de slagen, waaraan zij is blootgesteld, maallaat zich kalm met het stuifmeel beladen; zij kan dat later wel wegborstelen,

Sluiten