Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aaneensluitende helmknoppen, komt voor bij de Rhfnanthacée, Baiischia alpina. De toegangspoort is in de bloemen van deze plant door den opgeslagen zoom der onderlip zeer nauw, en dicht achter die enge poort zijn de betrekkelijk groote, aan bun bovenrand door viltige haren verbonden helmknoppen gelegen. Wil een insect tot den honig achter in de bloem doordringen, dan moet het deze beide stuifmeelbakjes aan den onderkant van elkander verwijderen en zich daarbij met het stuifmeel laten bestrooien.

In de bloemen van Ratel, Rhinanthus, en Schubwortel, Lathraea, is de weg bij 't binnenkomen nog nauwkeuriger voorgeschreven, en er mag geen millimeter van afgeweken worden, als het insect er zonder nadeel zal afkomen. De helmdraden, die hier midden in den ingang der bloem staan, zijn

v er scn 11 ten ue strooitoestelïen voor net stuitmeel. 1. Uloem van Acanthus fonyifohus, waarbij een deel «Ier bloembekleedselen is verwijderd. 2. I)e meeldraden, die strooitangen vormen, zijn hier een weinig uit elkaar gerukt, zoodat er pollen uitgestrooid wordt. 3. Een afzonderlijke helmknop van dezen Acanthus. 4. Lengtedoorsnede der bloem van Rhinanthus serotinus. 5. Een meeldraad uit deze bloem afzonderlijk. G. I)e vier meeldraden dezer bloem, van voren gezien: de helmknoppen zijn aan den top met elkaar verbonden, maar wijken van onderen uit elkaar, zoodat er stuifmeel uit valt. 7. Bloem van het Knikkend Wintergroen, Pirola secunda, waarvan een deel der kroon is verwijderd. 8. Dezelfde bloem, doch nu is door het wegduwen van een der bloemslippen een der strooibusvormige helmknoppen omgedraaid en deze strooit nu stuifmeel uit. — Het pijltje geeft in de figuren 1, 4 en 8 de richting aan welke het binnendringende insect inslaat. Fig. 1 en 2 natuurlijke grootte, de overige 2- tot 5-maal vergroot. — Zieook blz. .°»26.

namelijk bezet met stijve, spitse dorentjes, welker aanraking door de voor hun monddeelen altijd zeer bezorgde insecten zorgvuldig wordt vermeden, en de eenige ongevaarlijke weg naar den bodem der bloem leidt tusschen de met zachte haren omzoomde, reeds bij een lichte drukking gemakkelijk uiteenwijkende stuifmeelhokjes door, zooals de afbeelding hierboven in Fit/. 4 tot <> laat zien.

In de bloemen van Clamlestiiia, Trixago en nog vele andere Rhinanthaceeën, ontbreekt de bezetting met kleine dorentjes aan de helmdraden, maar daarbij eindigt elke helmknop beneden in een priemvormig aanhangseltje, dat de in den muil der bloemen binnengaande insecten onvermijdelijk moeten aanraken en ter zijde schuiven. Daardoor worden die stuifmeelschoteltjes uit elkander gedrongen, en op het oogenblik van het indringen valt het stuivende

Sluiten