Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kruisbestuiving.

Terwijl Goethe in Karlsbad vertoefde, bracht een jonge kweeker dagelijks bouquetten van bloeiende planten aan de bij de bron samengekomen badgasten. Hoeren en dames interesseerden zich er zeer voor de namen dezer planten niet behulp der geschriften van den toen reeds zeer algemeen beroemden Zweedschen plantkundige Linnaeus te vinden. Men noemde dit opzoeken der namen, het „bepalen" of „determineeren" der planten, en het werd van den kant deidilettanten met grooten ijver beoefend, als een soort van raatlselspel en een prettig, opwekkend tijdverdrijf. Ook inden kring der vakmannen vond Linnaeus een waardeering, als maar zelden aan tijdgenooten pleegt te worden geschonken.

Zijn methode had in een tooverslag de geheele beschaafde wereld veroverd, en zijn „stelsel" was in de scholen langzamerhand alleenheerschend geworden. Wel verhieven zich ook, en dat voornamelijk uit den kring der dilettanten, enkele stemmen tegen de nieuwe leer. Goethe verhaalt, dat verscheiden van de Karlsbader gasten deze bemoeiing met de plantenwereld naar aanleiding van het werk van den Zweedschen botanicus voor een onnoozel spel verklaarden, waarin noch het verstand, noch de verbeelding genoeg voedsel vond en dat niemand op den duur zou kunnen bevredigen. Blijkbaar had ook Goethe de zwakheid der methode van Linnaeus ingezien. Het tellen en liet zich bezig houden met getallen was buitendien niets voor hem; ook het op nietige verschillen berustende uit elkander houden der vormen leek hem niet; hem boeide minder wat de planten van elkaar onderscheidde, dan dat, wat zij gemeen hadden en wat de geheele plantenwereld uit een eenheid, uit vele leden gevormd, deed bestaan, en het is begrijpelijk, dat hij nooit recht warm is kunnen worden voor de botanie van Linnaeus.

Maar hoe vreemd het moge klinken, dat wat Goethe als een zwakheid van het stelsel van Linnaeus beschouwde, was er aan den anderen kant de kracht van. .luist de omstandigheid, dat de getallen een zeker geleidenden draad door den verwarrenden overvloed van plantenvormen opleverden, dat de mogelijkheid was geboden, door middel van het aantal der bloemdeelen te komen tot een beknopte indeeling der planten, en niet het minst de strengheid, waarmee de Zweedsche geleerde zijn eens opgemaakte grondstellingen kon toepassen, werkten verlokkend op leeken en vakmannen. Diezelfde goede eigenschappen verklaren het ook, dat zelfs in de nieuwste botanische werken nog weer teruggegaan wordt tot het stelsel van Linnaeus, als het erom te doen is, langs den kortsten weg te weten te komen, welke plaats een gegeven soort te midden van dat duizendvoudig dooreengemengd geheel van tot nu toe waargenomen plantenvormen inneemt.

Later zullen wij nog gelegenheid hebben, nader de waarde te bespreken van de verschillende plantensystemen van geschiedkundig standpunt; hier hebben wij nu het stelsel van Linnaeus te behandelen enkel uit het oogpunt van de vraag naar de verdeeling der meeldraden en stampers, dus van die

Sluiten