is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloemen of vrouwelijke vertoonen. De 23e klasse bevat de l'olygamia, dat zijn al de planten, die meeldraadbloemen, stamperbloemen èn tweeslachtige bloemen nu eens aan dezelfde, dan aan verschillende planten in allerlei groepeeringen bezitten.

Tot de 24e klasse eindelijk worden alle Cryptogamen of Bedektbloeiende planten gebracht.

Linnaeus schreef dus aan twintig van de drie-en-twintig klassen der Phanerogamen tweeslachtige bloemen toe. Bij zulk een overwicht schenen hem de tweeslachtige bloemen regel; hij hield ze voor meer volkomen dan de éénslachtige, bracht bun overwicht in onmiddellijk verband met de vruchtvorming en meende de vereeniging van meeldraden en vruchtbeginsels in één bloem op de eenvoudigste en natuurlijkste manier daardoor te kunnen verklaren, dat ten gevolge van de onmiddellijke nabuurschap van ontvankelijke en bevruchtende organen de bevruchting veel gemakkelijker zou tot stand komen, dan wanneer die organen ver van elkander waren verwijderd, en dus in het eerstgenoemde geval het ontstaan van kiemkrachtige zaden het best was gewaarborgd.

Zoo had zich, om kort te gaan, de voorstelling ontwikkeld, die later tot een formeel leerstuk werd, dat de bevruchting in de tweeslachtige bloemen begon met de overbrenging van het stuifmeel op den tot dezelfde bloem behoorenden stempel, dat dus plaats had het verschijnsel, dat wij thans met den naam zelf bestuiving of au togamie aanduiden. Latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat veel planten slechts in schijn tweeslachtige bloemen bezitten, dat in hun bloemen wel meeldraden en vruchtbeginsels dicht naast elkander staan, maar dat de stuifmeelkorrels in de helmknoppen mislukt zijn en niet liet vermogen bezitten, de bevruchting tot stand te brengen. In andere bloemen, die men voor tweeslachtig hield, was daarentegen het vruchtbeginsel zoo gewijzigd, dat liet niet in staat was, kiemkrachtige zaden voort te brengen. Ook komen de voor een deel van éénslachtige en voor een ander deel van tweeslachtige bloemen voorziene planten, die Linnaeus polygamische noemde, en die hij samenvatte in de 23® klasse, veel meer voor en in veel rijker afwisseling, dan men vroeger aannam.

Van het standpunt onzer tegenwoordige kennis is het 't meest doelmatig, de bloeiende planten als tweeslachtige en éénslachtige aan te duiden. De tweeslachtige bloemen bevatten naast het vruchtbeginsel altijd ook een of meer meeldraden. In het vruchtbeginsel ontwikkelen zich zaadknoppen, waaruit, nadat de bevruchting heeft plaats gehad, kiemkrachtige zaden voortkomen, en in de helmknoppen der meeldraden wordt stuifmeel ontwikkeld, dat de bevruchting kan tot stand brengen. Men heeft deze bloemen vroeger eenvoudig tweeslachtige bloemen genoemd, maar liet is raadzaam gebleken, voor de duidelijkheid ze echt of zuiver tweeslachtige bloemen te noemen.

Bij de tweeslachtige sluiten zich de éénslachtige bloemen aan. Kenmerkend voor hen is, dat alleen een deel der bij de bevruchting werkzame organen tot volle ontwikkeling is gekomen en zijn taak kan vervullen. Die éénslachtige bloemen, die alleen stampers met voor ontwikkeling vatbare zaad-