Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den dag komen; maar aan den anderen kant bestaat er ook een merkwaardig onderscheid, daar bij Teucrium ook de stijl van richting en stand verandert, zich boogvormig kromt en zoo ver naar beneden buigt, dat de stempels precies op die plaats komen te staan, waar vroeger de helmknoppen stonden.

Van de zesde groep kunnen als voorbeelden genoemd worden het Bazielkruid, Ocymum basilicum, [een Labiaat, wel voor kruidenazijn in gebruik] en de fraaie, uit tropisch Amerika afkomstige klimplant Cobaea scandens van de familie der Polemoniaceeën. Bij deze groep komt juist zulk een verwisselingvan plaats voor als bij Gamander, alleen krommen zich daar de helmdraden niet naar buiten en de stijlen niet naar beneden, maar omgekeerd; in 't begin van den bloei staan de helmknoppen langs den toegang tot den honig in de diepte der bloem; later echter zakken ze weg van dien ingang, terwijl de stijl zich in een boog opheft en den stempel juist op dezelfde plaats brengt, die vroeger door de helmknoppen werd ingenomen.

De merkwaardige verwisseling van stempels en helmknoppen bij de planten der zevende groep, waartoe de Solaneeën, zooals Wolfskers, Atropa; Bilzenkruid, Hyoscyamus', Ivlokbilzenkruid, Scopolia en Alruin, Mandragora, behooren, werd, wat de laatste betreft, reeds op blz. 331 besproken en verduidelijkt door de afbeelding op blz. 332 met Fig. 8 en 9. In de jonge bloemen staat de stempel in het midden, en de helmknoppen zijn tegen den wand der bloemkroon aangeleund; in de oud geworden bloemen staan daarentegen de helmknoppen in het midden der bloem, en de stijl is tegen den wand aan gedrukt.

Voor de achtste groop gelden als voorbeelden de heesterachtige Kamperfoeliesoorten: Lonicera alpigena, Alpen Kamperfoelie: Lonicera xylosteum, de Koode en Lonicera nigra, de Zwarte Kamperfoelie, alsook het geslacht Scrophiilaria. Do bloemen zijn terzijde gericht; in 't begin steekt de rechte stijl uit het midden der bloem naar buiten, en de stempel bevindt zich onmiddellijk naast den weg, die naar den honig geleidt; de helmknoppen daarentegen staan bij Lonicera nog boven dien toegangsweg en bevinden zich bij Sa-ophularia op den top van halfcirkelvormig achterover gebogen helmdraden in de holte van de kroesvormige bloemkroon verborgen. Later wordt de stempel van den genoemden toegangsweg verwijderd, en wel, doordien zich de stijl boog- of knievormig naar beneden buigt; daarentegen vertoonen zich nu de helmknoppen op de tot hier toe door den stempel ingenomen plaats, wat door een doeltreffende strekking en verplaatsing van de helmdraden tot stand komt.

Het Nieskruid, Helleborus, dat als voorbeeld voor de negende groep kan dienen, heeft betrekkelijk groote, honigrijko bloemen. De honig bevindt zich niet, zooals bij de andere hierboven besproken planten in het midden der bloem, maar wordt afgescheiden in peperhuisvormige honigbakjes, die rondom de meeldraden staan. Dientengevolge bewegen zich de honigzuigende insecten niet naar het midden, maar naar den omtrek der bloemen, en hieruit verklaart zich, dat de stempels en helmknoppen, die door de insecten moeten worden aangeraakt, in een dergelijken kring zijn gelegen. Na het ontluiken der bloem zijn de stijlen uitgespreid en zóó gebogen, dat de stempels boven de honigbakjes staan. . De

Sluiten