Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helmknoppen zijn samengedrongen in liet midden der bloem en worden door de insecten, die komen aanvliegen, niet aangeraakt. Later worden de stijlen recht en bewegen zij zich naar het midden der bloem; daarentegen liebben de helmdraden zich dan verlengd en hebben ze zulk een richting aangenomen, dat de helmknoppen boven de honigbakjes komen te staan en daar door de honigzuigende insecten moeten worden aangeraakt.

Voor de tiende groep willen wij Wijnruit, liuta graveolens, hiernevens afgebeeld, als voorbeeld kiezen. De bloem heeft tien helmknoppen, gedragen op stijve, stervormig gerangschikte helmdraden. Van die helmdraden buigt zich eerst één omhoog, plaatst de erop gezeten anthere midden in de bloem, op den weg naar den honig, die door een vleezigen ring aan den voet van den stempel afgescheiden wordt, blijft in dien stand bijna een dag, maar buigt zich dan weer terug, 0111 den vroegeren stand te hernemen. Terwijl de eerste meeldraad zich dan achteruit buigt, rijst een tweede op en legt denzelfden weg heen en terug af. En zoo gaat het door, tot langzamerhand alle tien helmknoppen in het midden der bloem hebben gestaan. Als eindelijk ook de tiende meeldraad

zien weer acnterover neett gebogen, is 111 net midden der bloem de intusschen gerijpte stempel op dezelfde plaats te zien, waar vroeger helmknoppen de één voor en de ander na, hun stuifmeel hadden gepresenteerd.

Een verschijnsel, dat zich bij de verwisseling van plaats van stempels en helmknoppen aansluit 011 met de krnisbestuivine van tweeslncbticre l>ln<>-

Bloem van de Wijnruit, llitta //rave- . .

oleus. 3-maai vergroot. (Naar Baili.on). men in verband staat, is het loslaten en afvallen der stempels, als de om den stempel heen staande helmknoppen opengaan. Als voorbeeld voor dit geval kan liet tot de Urticaceeën behoorende Glaskruid, Parietaria, dienen, hiernaast afgebeeld in Fig. 2 tot 4 [waarvan twee soorten, het Rechtopstaande en het Liggende Glaskruid, Parietaria officinalis en ramiflora, tot onze vrij zeldzaam voorkomende in 't wild groeiende planten behoorenj. In de tweeslachtige bloemen van deze plant ontwikkelt zich de stempel altijd reeds vóór het opengaan der bloem (proterogynie) en men ziet daardoor in het begin van den bloei den kwastvormigen stempel uitsteken buiten den groen achtigen knop, zooals op de afbeelding in Fig. 3 te zien is. De gekromde helmdraden zijn in dien tijd als horlogeveéren gespannen en zijn bedekt door de aaneensluitende, kleine groenachtige bloemdekbladen. Eer nog deze helmdraden opspringen en plotseling hun stuifmeel als fijn poeder rondstrooien in de lucht, verwelkt en verschrompelt de stempel; de stijl laat los van het vruchtbeginsel en neemt den verdroogden stempel mee, en 't vruchtbeginsel loopt dan, in den tijd van 't vrijkomen van het stuifmeel uit de helmknoppen, in een puntje uit, dat niet anders is dan een verdroogd restje van den afgevallen stijl, zooals Fig. 4 laat zien.

Yeel algemeener dan het losraken en afvallen van den stempel op den tijd,

Sluiten