Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soort van Hondstong; Lithospennum arvense, Ruwzadig Parelkruid of Steenzaad; Memjantlies trifoliafa, Waterklaver of Waterdrieblad; Arctostaphylos urn ursi, Berendruif; Vucciniuni myrtillus, Blauwe Boschbes; Valerianella den'ata, Getande Veldsla.

Zelfs bij de ep hem ere of ééndagsbloemen komt meestal dichogamie voor en eveneens bij die welke men beter éénnachts- of epinyctisclie bloemen zou kunnen noemen. De bloemen van Mirabilis jalappa b. v., de Bonte Wonderbloem, gaan tusschen 7 en 8 uur 's avonds open; als de zoom der bloem zich uitspreidt, is de stempel, die op een penseeltje gelijkt, reeds in staat, stuifmeel op te nemen; maar de helmknoppen derzelfde bloem zijn nog alle gesloten. Eerst 10 tot 15 minuten later ziet men de helmknoppen openspringen en hun stuifmeel vrijlaten. Het verschil in tijd is hier zoo gering, dat de meeste waarnemers er niet op letten, en daaruit laat het zich verklaren, dat men zulke bloemen in 't geheel niet voor dichogaam wilde laten doorgaan. Maar juist de omstandigheid, dat zelfs bij ephemere bloemen de geschiktheid tot bestuiving niet bij beide geslachten tegelijk optreedt, is voor de vraag naaide beteekenis der dichogamie van groot belang; dit moet hier nadrukkelijk op den voorgrond gesteld worden.

Bij de bloemen met protogynische dichogamie is hetgeen zeldzaamheid, dat de voor de opneming van stuifmeel geschikte stempel al uitsteekt buiten de bloem op een tijd, waarop de bloembladeren nog dicht aaneensluiten en de bloem den indruk maakt van een knop. Zoo is het gesteld met liet vroeger op blz. 168 afgebeelde Gekruld Fonteinkruid, Potamoyeton crispus; bij de Affodillen, als Asphodelus tribus; bij de Veldbiezen, als Luzula nivea; bij de Olmen, als b'lmus campestris, den Gewonen Iep; bij de Weegbreesoorten als Plantayo media, Ruige Weegbree; bij verschillende Alpenrozen, als Rhododendron chamaecistus; bij Prunus myrobalanus, bij Cortusa, bij Deutziu en bij nog vele andere.

Daarentegen kent men talrijke bloemen met protandrische dichogamie, uit welker helniknoppen het stuifmeel al wordt vrijgelaten in een tijd, waarop de kroonbladeren nog in den knopstand zijn, dus nog zijn toegevouwen. Opent men b. v. een bloemknop, die dicht aan het openspringen toe is, van de blz. 316 afgebeelde Crucianella stylosa, dan bemerkt men terstond, dat de helmknoppen al geruimen tijd open zijn en hun stuifmeel onder den koepel van den gesloten bloemknop, op de verdikte, korrelige buitenzijde van den top van den stijl hebben afgezet. Ook in de bloemen van lïhododendroti hirsutum, de Ruwharige Alpenroos, dringt het stuifmeel reeds binnen de bloemknoppen uit de antheren voor den dag, en bij veel Samengeste 1 d b 1 oemigen. Klokjes en Vlinderbloemigen wordt iets dergelijks opgemerkt.

Ofschoon duizenden planten met het oog op de dichogamie reeds zijn onderzocht, toch zijn de reeds verkregen resultaten nog niet toereikend, om te kunnen aangeven, of er meer protogynische, dan wel protandrische bloemen zijn. Men zou zelfs wel bij ruwe schattingen dienaangaande groot gevaar loopen, erge vergissingen te begaan. Vooral zou 't gevaarlijk wezen, de resultaten, die bij

Sluiten