Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hout, Salix fragilis. Ook bij de lage Alpen wilgen, Salix herbacea, Salix return en Salix reticulata, neemt men dit verschijnsel waar; maar daar beperkt zich het verschil in tijd meestal slechts tot één dag.

Als men de tallooze planten van Hennep, Cannabis satim, die uit de op vlak akkerland gezaaide zaadkorrels dicht naast elkander opgroeien, in den vollen zomer beschouwt, valt het op, dat bij de meeste planten, die vrouwelijke bloemen dragen, de stempels reeds geschikt zijn, om stuifmeel op te nemen, ofschoon nog geen enkele meeldraadbloem open is. Eerst 4 tot 5 dagen, nadat de planten met vrouwelijke begonnen zijn te bloeien, gaan op de naburige planten de meeldraadbloemen open, en de wind schudt dan uit de bengelende helmknoppen het stuifmeel uit. Bij het Bingelkruid, vooral bij de overblijvende soorten van liet geslacht, Alercuria!is ocata en Mc/'cui'iu/ispercnnis, die inde diepte van bosschen in kleine groepjes bij elkaar staan en wel zóó, dat dichtbij elkaar op denzelfden grond planten met vrouwelijke en planten met mannelijke bloemen met elkander afwisselen, worden de stempels minstens twee dagen vóór het pollen gaat stuiven geschikt, om dit op te nemen. Hetzelfde werd ook waargenomen bij H op, Humulus lupulus, en bij vele andere tweehuizige planten.

Al deze feiten zijn voor de vraag naar de beteekenis der kruising van het grootste belang. Wanneer men ongelijktijdige geslachtsrijpheid alleen waarnam bij die soorten van planten, die echt tweeslachtige bloemen bezitten, dan zou de dichogamie alleen beschouwd kunnen worden als een aanvullling van die inrichtingen, die de bestuiving der stempels met het pollen uit de in de onmiddellijke nabijheid staande helmknoppen, dus zelfbestuiving of autogamie, moeten beletten. Zoo bij voorbeeld is door den onderlingen stand van helmknoppen en stempels in de bloem van Tryglocliin, Zo ut gras, vroeger afgebeeld op blz. 169, het bijna onmogelijk geworden, dat stuifmeel op den stempel van dezelfde bloem komt; maar geheel uitgesloten zou de mogelijkheid dan nog niet zijn, als de helmknoppen ter zelfder tijd hun stuifmeel vrijlieten, als waarop de stempels geschikt zijn, om stuifmeel op te nemen. Nu echter in de bloemen van Zoutgras de stempels in den tijd van het stuiven reeds geheel verdroogd zijn, is autogamie volkomen uitgesloten, en in zoo ver kan men dus de dichogamie beschouwen als de voltooiing der genoemde inrichtingen. Zulke gevallen van volkomen dichogamie, zooals bij Zoutgras, Glaskruid, Parnaskruid en dergelijke voorkomen,» zijn echter betrekkelijk schaarsch, en op het overgroote aantal onvolkomen dichogame, tweeslachtige bloemen zou deze uitspraak niet van toepassing zijn. Nog minder zou zij passen voor éénhuizige en tweehuizige planten. Daarbij kan immers van autogamie of zelfbestuiving in 't geheel geen sprake zijn.

Daar het niet gelijktijdig optreden van de rijpheid der tweeërlei geslachten van dezelfde soort een verschijnsel is, dat bij de meeste, ja misschien wel bij alle planten voorkomt, kan men ook niet aannemen, dat deze inrichting in 't geheel geen beteekenis zou hebben.

Wij willen nu een poging wagen, de beteekenis der dichogamie te verklaren, en wij verzoeken den lezer, allereerst een der wilgenboschjes te betreden, waarvan op de voorgaande bladzijde iets werd gezegd. De Bittere

Sluiten