Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fiava, de üele; Carex canescens, de Afgekorte; Carex glauca, de Zeegroene Zegge, benevens de Blonde Zegge, Carex Homschuchiana en nog vele andere. Deze Rietgrassen bloeien niet alle tegelijkertijd, maar de eene soort komt wat vroeger, de andere wat later aan de beurt en daarbij treft het wel, dat de eene soort juist ontluikt, als de andere het hoogtepunt harer ontwikkeling heeft bereikt, terwijl het bij een derde al bijna met den bloei gedaan is.

Alle éénhuizige rietgrassen nu zijn protogynisch. De stempels zijn reeds 2 tot 3 dagen geschikt, om stuifmeel op te nemen, steken allo ver buiten de dekschubjes uit en zijn zóó geplaatst, dat het door den wind aangevoerde stuifmeel eraan moet blijven hangen. Nog altijd zijn echter de helmknoppen der meeldraadbloemen van diezelfde soort niet geopend. Nu spreekt het dus vanzelf, dat de stempels in den loop van den eersten en den tweeden dag dikwijls het stuifmeel van andere, vroeger ontloken soorten ontvangen; want daar de helmknoppen van die al vroeger ontloken soorten reeds geopend zijn, zal elke windstoot het stuifmeel eruit schudden, het over 't moeras strooien en alles bestuiven, wat maar bestuifbaar is. Het pollen, dat later vrij wordt gelaten uit do boven en naast de geslachtsrijpe stempels staande meeldraadbloemen, kan, daar het pas later rijpt, eerst in do tweede plaats worden opgenomen. Dus is de onvolkomen dichoganiie ook bij de planten met éénhuizige bloemen de oorzaak, dat eerst kruising plaats heeft van twee soorten en later tusschen de bloemen van éénzelfde soort.

Zooals men weet, ontluiken, zelfs onder gelijke uiterlijke omstandigheden, niet alle planton van een zelfde soort op denzelfden dag, en die omstandigheid is hier in zoo ver van gewicht, dat men hieruit zou kunnen afleiden, hoe de vroeg ontluikende planten van één soort het stuifmeel leveren voor de stempels van de later ontluikende planten derzelfde soort. Dat is ook zeker zeer dikwijls het geval, maai even zeker is hot, dat de stempels van de het allereerst in bloei komende plant van een protogynische soort alleen stuifmeel kunnen ontvangen uit andere, nog vroeger bloeiende soorten en daarmede ook inderdaad bestoven worden, zoodat aan de vroeger meegedeelde conclusie niets behoeft te worden veranderd.

Daar de planten mot schijnbaar tweeslachtige bloemen, wat de overbrenging van stuifmeel betreft, zich juist zóó gedragen als tweehuizige en éénhuizige, laat het zich donken, dat voor hen do dichoganiie dezelfde betoekenis heeft, als wij boven in het licht hebben gesteld. De hooge overblijvende kruiden van sommige Zuringsoorten, als Jiumex aljnnus, Jiumex netnorosus en ook Jiumex obtusifoUus, Bitterblad, hebben in hun trossen voornamelijk schijnbaar tweeslachtige vrouwelijke bloemen en schijnbaar tweeslachtige meeldraadbloemen, doch daarnaast eenige weinige, echt tweeslachtige bloemen. Welke plant men ook nauwkeurig gaat bekijken, altijd vindt men de stempels ver in ontwikkeling vooruit bij de helmknoppen; de stempels zijn reeds geslachtsrijp, de helmknoppen nog niet opengesprongen. In die omstandigheden kunnen de eerste bloemen van een plant, onverschillig of hot schijnbaar-tweeslachtige of echt tweeslachtige bloemen zijn, het stuifmeel enkel ontvangen uit andere planten, die al vele dagen bloeien en uit welker reeds opengesprongen, bengelende helm-

Sluiten