Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eiken stijl, die de stempels dragen, sluiten eerst aaneen, Scheiden zich echter spoedig, en het stem pel weefsel, dat aan de binnenzij der stempelarmen is gevormd, komt daardoor bloot. Komen nu insecten aanvliegen, die uit andere planten stuifmeel meebrengen, dan kan dit op het blootgelegde stempelweefsel worden afgezet. Maar het aan de zamelharen klevende stuifmeel, dat zich op de buitenzijde van den stijl bevindt, komt in dit stadium nog altijd niet op de geslachtsrijpe binnenzijde der stempelarmen. Zoodra echter de lintvormige bloemkronen beginnen te verwelken en te verschrompelen, spreiden de beide stempelarmen zich uit, draaien en krommen zich als slangetjes naar den kant en naar beneden, en te gelijk komen ook de stijlen dichter bij elkaar; dan is het onvermijdelijk, dat de stempelarmen van aaneengrenzende bloemen in elkander verward raken, en dat de nog altijd voor de opneming van stuifmeel geschikte stempels van de eene, met het nog altijd tegen de zamelharen gezeten stuifmeel der andere in aanraking komen en het ontvangen op het gevoelige stempelweefsel.

•luist hetzelfde proces heeft plaats bij de bloemen van Lactuca, Salade, [waartoe zoowel de bij ons in 't wild groeiende Muursla, Lactuca muralis, als de gekweekte Tuinsla, Lactuca satim, behooren], bij Mulgedium, Meiksla, [waarvan de soort Mulgedium alpinum, de Alpen Melksla, met haar lila bloemen op de Voor-Alpen zoo algemeen is], en ook bij Chondrilla, | waarvan de Knikbloem, Chondrilla juncea, tot onze zeldzame wilde planten behoort|, alleen hebben bij al deze de hoofdjes meer bloemen, die in twee of drie spiralen zijn gerangschikt. Ook krommen zich hier de stempelarmen niet als slangetjes, maar zij spreiden zich alleen uit en rollen zich een weinig op, wat echter volkomen voldoende is, om hen met die der naburige bloemen in aanraking' te brengen, zoodat er kruisbestuiving plaats heeft. Opmerkelijk is ook nog, dat bij Prenanthes de lintvormige bloemkronen zich op het eind van den bloeitijd naar buiten omrollen, terwijl die van Lactuca en van de andere genoemde Composieten aaneensluiten en een omhulling vormen voor de over elkander geslagen stempelarmen.

Tragopogoti, Bokspaard; llieraciuin, Havikskruid; Crejns, Streepzaad; Scorzanera, Schorseneer; Leontodon, Hondsbloem; Taraxacum, Paardebloem en nog vele andere Samengesteldbloemigen, waarvoor de genoemde als voorbeeld kunnen dienen, bevatten in één hoofdje tot wel 100 in verscheiden spiralen gerangschikte lintbloemen, (zie b.v. de afbeelding van Hieracium op blz. 130 in Fig. 5). De linten der bloemkronen gaan 's morgens uiteen, en komen des avonds dicht bij elkaar; en evenals de linten ziet men ook de helmknopbuizen en stijlen, 's morgens een weinig gebogen naar den omtrek van het hoofdje, 's avonds weer opgericht en tot elkander genaderd. Die toenadering wordt ten slotte tot een feitelijke aanraking, en daar de ontwikkeling der protandrische bloemen van den omtrek naar het midden van het hoofdje voortgaat, en dientengevolge de stempels der buitenste bloemen reeds geschikt zijn, om stuifmeel op te nemen, als uit de middelste bloemen pas het stuifmeel uit de antherenbuis is omhoog geveegd, moet er bij deze aanraking noodzakelijk kruisbestuiving tusschen naburige bloemen plaats hebben.

Sluiten