Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorkomen, zijn de op den vlakken bloembodem van het hoofdje bijeenstaande buisbloemen van ongelijke lengte. De randbloempjes zijn wat korter dan de schijfbloempjes, zoodat de stempelarmen van de eerste lager komen te staan dan die van de laatste. Dit is echter nog niet voldoende, om het stuifmeel, dat van de hooger geplaatste stempelarmen losraakt en afvalt, op het stempelweefsel van de lager staande stijlarmen over te brengen, want die laatste zijn een weinig verder naar den omtrek van het hoofdje ingeplant, en dus is het noodig, dat zich de stuifmeeldragende stijlen buigen naar den omtrek van het hoofdje, als het door hen gedragen stuifmeel op de goede plaats zal komen. Dat geschiedt ook inderdaad. De eerst rechtovereindstaande en rechte stijlen krommen zich met een hoek van 70 tot 90 graden naar buiten, en wel vóór nog de beide door hen gedragen stempelarmen uitstaan en het uit de antherenbuis meegenomen stuifmeel afwerpen. Op deze wijze komt het later afvallende stuifmeel onvermijdelijk op de lager staande stempels der oudere bloemen. Soms komt het ook voor, dat de met stuifmeel bedekte, wijduitstaande stempelarmen van jongere bloemen met het stempelweefsel van de armen der oudere bloemen onmiddellijk in aanraking komen, en dat ook nog op deze wijze in het hoofdje geitonogamie plaats heeft.

Evenals bij de hier als voorbeeld gekozen Homogyne, Alpensalade, gaat het bij talrijke andere Composieten, welker hoofdjes enkel uit tweeslachtige buisbloemen bestaan. Een onbeduidende afwijking hebben de Alsem soorten van het hooggebergte, bij voorbeeld Artemisia mutellina en spicata, in welker hoofdjes het omhoog steken van de schijfbloemen boven de omgeving niet alleen door grootere lengte wordt veroorzaakt, maar ook daardoor tot stand komt, dat de bloembodem van het hoofdje, waarop de buisbloemen bij elkaar staan, duidelijk gewelfd is. De op den koepel der welving bovenaan staande bloemen steken natuurlijk boven die omhoog, welke aan den omtrek staan. Bij zeer veel Samengesteldbloemigen, bijvoorbeeld Doronicum glaciale en scorpioides; Senecio cordatus en doronicum; Telekia; Buphthalmuin; Anthemis en Matricaria, is de bloembodem, waarop de bloemen van het hoofdje zijn geplaatst, eerst vlak of slechts weinig gewelfd, maar verheft zich in den loop van den bloei zoo aanmerkelijk, dat hij den vorm van een halven bol of zelfs dien van een kegel aanneemt.

In de hoofdjes van Doronicum, [waarvan Doronicum pardalianches, het Duizelkruid, ten onzent, hoewel zeldzaam, in de bosschen voorkomt], bedraagt die ophooging van den bloembodem bijvoorbeeld één centimeter, en betrekkelijk nog grooter is zij bij de hoofdjes van Anthemis, de Wilde Kamille fwaarvan vooral de Akker-Kamille, Anthemis arcensis, ten onzent veel voorkomt | en vooral ook bij Matricaria, van welk geslacht de in de geneeskunde gebruikte Echte Kamille, M. chamomilla het best bekend is [en ten onzent ook veelvuldig in 't wild groeit], waarbij ten opzichte van deze laatste nog de bijzonderheid komt dat de bedoelde kegelvormige bloembodem geheel hol is. Het allereerste gevolg van dat omhoog groeien van den bloembodem is natuurlijk ook een verandering in de richting der op den bloembodem ingeplante buisbloemen. Het komt voor, dat bloemen; die op den bloembodem van het pas

Sluiten