Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontluikende hoofdje rechtop staan, later een bijna horizontalen stand innemen. Het merkwaardigste daarbij is echter, dat deze veranderingen gelijken tred houden met de voortschrijdende ontwikkeling der bloemen. Zooals men weet, gaan in de als hoofdjes bekende inflorescenties altijd eerst de randbloemen open en t laatste die van het midden (zie 1)eel 11 op blz. 481). De bloemen van eiken buitensten kring zijn dus altijd reeds verder gevorderd dan die van den daarop volgenden, meer binnenwaarts gelegene, en als bij de buitenste bloempjes het rijpe stempel weefsel reeds is blootgelegd, wordt bij de binnenste pas het stuifmeel uit de helmknoppenbuis omhoog geschoven en door de uiteenwijkende stempelarmen afgeworpen. Daarbij is nu de wonderschoone inrichting tot stand gekomen, dat ten gevolge van de besproken veranderingen in den bloembodem, de rijpe stempels van de buitenste bloempjes juist in de vallijn van het stuifmeel der binnenste komen te staan. Soms is het ook in 't geheel niet erbij noodig, dat het stuifmeel valt, want de bloemen staan zoo dicht naast en boven elkander, dat de uiteenwijkende stempels der oudere bloemen vanzelf in aanraking komen met het stuifmeel der jongere.

Evenals bij de Composieten zijn ook bij de Schermbloemigen veel kleine bloemen zoo dicht opeengehoopt, dat er gemakkelijk aanraking tusschen de stempels van naburige bloemen kan plaats vinden, en men zal bij 't zien dezer bloemen allicht op het denkbeeld worden gebracht, dat daarin geitonogamie moet voorkomen. Dit vermoeden wordt bij nauwkeuriger onderzoek zekerheid, want feitelijk hebben de Schermbloemigen zoo veelvuldige inrichtingen ter bevordering der geitonogamie, dat ze niet veel minder talrijk zijn dan bij de Samengesteldbloemigen. De belangrijkste dezer inrichtingen willen wij op de volgende bladzijden bespreken.

Allereerst treffen we een groep aan, waarvoor de soorten Eryngium (Ivruisdistel) en Hacquetia als voorbeelden kunnen gelden. De soorten dezer ëioep veitoonen schermen, door groote omwindsels omgeven. Alle bloemen zijn tweeslachtig en protogynisch. Reeds als de meeldraden nog haakvormig naar binnen zijn gekromd, de helmknoppen nog gesloten en de kroonblaadjes nog toegeslagen zijn, stoken de in glinsterende, kleverige stempels uitloopende, lange stijlen ver uit den knop naar buiten. In dien tijd kunnen de stempels alleen stuifmeel ontvangen vau andere planten, hetzij deze van andere of van dezelfde soort zijn. Later strekken zich de helmdraden en worden recht; de helmknoppen springen open en uit de ontstane spleten komt stuifmeel te voorschijn. Dit komt met de nog altijd voor bestuiving geschikte stempels der oudere bloemen öf dadelijk öf iets later in aanraking; want de lange stijlen hebben zich intusschen nog meer dan in het begin van den bloei op zij gebogen, en hunne stempels zijn daardoor binnen het bereik der naburige bloemen gekomen] waar het onvermijdelijk is, dat ze öf langs de met stuifmeel bedekte helmknoppen strijken öf met het stuifmeel, dat uit de verschrompelende antheren in kruimeltjes neervalt, in aanraking komen.

Eenigszins verschillend van deze groep der Schermbloemigen gedragen zich de geslachten Sanicula [waarvan we ten onzent Sanicula eitropaea, het Breuk-

Sluiten