Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

| ten onzent voorkomende] Drievingerige Steenbreek, Saxifragu tridacti/Utex, en vooral veel Caryophyllaceeën of Muurachtigen.

Bij de laatstgenoemde Steenbreken, die in elke bloem twee kransen van meeldraden bevatten, kan liet als regel gelden, dat liet stuifmeel, 't welk uit de helmknoppen der vijf voor de kelkbladeren staande meeldraden wordt vrijgelaten, voor autogamie, en liet stuifmeel, dat zich uit de helmknoppen deivijf voor de kroonbladeren staande meeldraden ontlast, voor kruisbestuiving wordt aangewend. Het omgekeerde ziet men bij de hiertoe behoorende M u u rachtigen, als Malachium aquaticuin, Watermuur; Sagina saxatilis, een soort van Vet muur; Spergula urcensis, Gewone Spurrie en Stellar ia media, Gewone Sterremuur. Hierbij dient namelijk het stuifmeel der vijf voor de kelkbladeren staande helmknoppen voor kruisingen, dat uit de vijf voor de kroonbladeren geplaatste meeldraden voor de zelfbestuiving.

Bij deze planten, welker voornaamste voorbeelden de Steenbreken vormen uit de groep, waartoe de genoemde Saxafraga aizuon en Saxifraga triductylites behooren, alsook de genoemde Muurachtigen, sluit zich een andere groep aan, die voornamelijk bestaat uit Cruciferen. Voor't grootste gedeelte zijn het éénjarige soorten met kleine bloemen, die slechts weinig door insecten worden bezocht, en welker vruchten voor 't meerendeel moeten worden beschouwd als de resultaten van autogamie. Eenige voorbeelden hiervan zijn: Cochlearia Groenlandica, het Groenlandsch Lepelblad; Clgpeola messanensis; Lobularia numtnularia; Hutchinsia alpina; Scltieverekia podolka; Draba borealis en Draba cema, Voorjaars Vroegeling; Lepidiuni draba, Pijl Kruidkers; Algssum calgcinum, Kelk Schildzaad [waarvan alleen de drie laatste hier te lande inheemsch zijn]. De keuze dezer voorbeelden, dit zij terloops opgemerkt, kan tevens aantoonen, dat de hier in aanmerking komende Cruciferen van het hooge Noorden tot in de Sahara en van 't hooggebergte tot in de steppen van het laagland zijn verspreid, en dat hetzelfde proces der autogamie zich herhaalt onder de meest uiteenloopende uitwendige omstandigheden.

Al deze Cruciferen zijn protogynisch; zij hebben twee kortere en vier langere meeldraden. De helmknoppen der laatste zijn bij 't ontluiken der bloem, als deze als het ware de deur opent, nog dicht, maar staan al reeds op gelijke hoogte met den stempel. Daar deze helmknoppen een weinig in horizontale richting afstaan van den stempel, is ook dan, als de helmhokjes opengaan en er stuifmeel te voorschijn komt, de autogamie nog onmogelijk. Eerst tegen liet slot van den bloei bewegen zich de stijf overeindstaande helmdraden zoo ver in de richting van het midden der bloem, dat het aan de helmknoppen klevende stuifmeel op den stempel komt. Het stuifmeel van de kortere meeldraden geraakt daarentegen slechts bij weinig soorten op den stempel in dezelfde bloem; het moet door insecten worden afgehaald en voor kruisbestuiving worden gebruikt, terwijl hot stuifmeel van de langere meeldraden hoofdzakelijk dient voor de autogamie.

Bij Lepidium draba, Pijl Kruidkers, is de merkwaardige inrichting getroffen, dat do vier langere meeldraden in den eersten tijd van den bloei zich

Sluiten