Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar buiten bewegen en zich tijdelijk verbergen achter de kroonbladeren, zoodat ze door de bezoekende insecten niet kunnen worden aangeraakt en niet van hun stuifmeel kunnen worden beroofd. Daardoor wordt nu het voordeel bereikt, dat voor alle gevallen er steeds stuifmeel beschikbaar blijft ten behoeve der autogamie. Bij Hutchinsia alpina komt van de vier langere meeldraden gewoonlijk slechts één zoo dichtbij den stempel, dat die stuifmeel kan ontvangen, en als die bestuiving heeft plaats gehad, verplaatst zich de meeldraad weer meer naaiden omtrek der bloem. Meestal volgen die verschijnselen alle vlug op elkander; bij Alyssum caUjcinum, K elk Schildzaad, binnen weinige uren; bij Draba verna, Voorjaars Vroegeling, in de korte tijdruimte van den morgen tot den avond.

Bij eenige éénjarige soorten van het geslacht Oxalis, Klaverzuring, waarvoor [de veel bij ons in het wild groeiende] Oxalis stricta, Stijve Klaverzuring, als voorbeeld moge dienen, zijn in elke bloem vijf kortere en vijf langere meeldraden te vinden. Do helmknoppen der laatste staan op gelijke hoogte met de stempels, hoewel in 't begin van den bloei een weinig op zij, zoodat in die periode door insecten, die met stuifmeel uit andere bloemen beladen komen aanvliegen en die de stempels gebruiken, om zich op neer te zetten, kruisbestuiving kan worden ingeleid. Maar reeds na weinige uren buigen de langere meeldraden zich naar de stempels toe en brengen er stuifmeel op. Ook in deze gevallen komt het stuifmeel der vijf kortere meeldraden niet op den stempel van dezelfde bloem en is beschikbaar voor de insecten ten gebruike bij kruisbestuiving.

Evenals bij de éénjarige soorten van het geslacht Klaverzuring biedt ook bij de meeste Hertshooisoorten, Hypericum, de ongelijke lengte der meeldraden, in verband met ongelijktijdige geslachtsrijpheid, het voordeel aan, dat op het eind van den bloei autogamie plaats heeft, terwijl vroeger allerlei kruisingen door insecten konden plaats vinden. Bij het [ten onzent zeer algemecno] Sint-Janskruid, Hypericum peiforatum, dat hier als voorbeeld moge worden gekozen, staan 0111 den stempel heen talrijke dunne helmdraden van ongelijke lengte; zij zijn in de pas geopende bloem zóó gegroepeerd, dat do langste in de onmiddellijke nabijheid van den stamper, die in 't midden is geplaatst, oprijzen, en dat de kortste meer naar den omtrek der bloem staan. De helmknoppen ontlasten hun pollen niet gelijktijdig, maar bij groepen. Eerst gaan de antheren der kortere open, dan die der middelste meeldraden en ten slotte die der langste. Zoodra één helmknop opengaat, buigt de dunne helmdraad naar binnen, en zoo komt het, dat na elkander de kortste, de middelste en de langste draden naar 't midden der bloem worden gevoerd. Daar echter alleen de helmknoppen der langste meeldraden met de stempels op gelijke hoogte staan, kan natuurlijk ook de autogamie eerst op het allerlaatst, kort vóór liet verwelken der bloem plaats hebben.

De algemeen verspreide Schermdragende Vogelmelk, Omithuyalum iimbellatum, vertoont in de geopende bloem zes meeldraden, in twee kransen van drie gerangschikt. Die van den binnensten krans zijn liet langst en hun helmknoppen gaan liet eerst open; die van den buitensten krans zijn korter, en hun

Sluiten