Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stijlen draaien zich in den vorm van een S en krommen zich daarbij tevens zoo ver naar beneden, dat het papillenrijke stempehveefsel niet het stuifmeel der kort te voren naar beneden geslagen helmknoppen in aanraking komt.

Bij de aan de oevers der Theiss in Hongarije in groote groepen groeiende Abutilon aviceniKte vormt de garf van helmdraden te geener tijd een bedekking voor de stijlen, maar men ziet reeds op het oogenblik, dat de kroonbladeren uiteengaan bij 't ontluiken, vijf slanke stijlen, door roode, fluweelige, kogelvormige stempels afgesloten, boven de helmknoppen uitsteken. Insecten, die nu komen aanvliegen en zich op de fluweelige stempels zetten of erlangs strijken, kunnen kruisbestuiving veroorzaken. Maar reeds een paar uren later buigen de stijlen in een halven boog om, en de stempels raken de met stuifmeel rijkelijk bedekte, lager staande helmknoppen.

Andere Malvaceeën, bijvoorbeeld Anodct hastnta, gedragen zich, wat betreft de kromming der stijlen, juist op tegenovergestelde manier. In de bloemknoppen van die planten zijn zoowel de helmdraden als de stijlen knievormig gebogen naar den bloembodem. Xadat de kroonbladeren zich hebben uitgespreid, worden eerst de helmdraden recht omhoog gericht en zij vormen nu een schoofje of bundeltje van draden, elk gekroond met een met stuifmeel beladen helmknop. Later komt de beurt van strekken en zich oprichten aan <Ie stijlen. Zij volgen denzelfden weg en schuiven tusschen bet schoofje helmdraden. De stempels der langere stijlen komen daarbij een weinig boven de helmknoppen te staan; die der kortere stijlen leggen zich daarentegen onmiddellijk tegen de helmknoppen aan, en daar deze nog altijd een beetje stuifmeel bezitten, heeft er geregeld autogamie plaats.

Een verwijderde gelijkenis met deze autogamie heeft de zelfbestuiving van Zonnedauw, Drosera. Het bolvormig vruchtbeginsel van dit plantje heeft drie stijlen, en elk dier stijlen is verdeeld in twee spatelvormige lobben, die op hun bovenkant het stempehveefsel dragen. In de geopende, schotelvormige bloem ziet men die lobben als de spaken van een wiel horizontaal uitgespreid (zie de vroeger gegeven afbeelding op blz. 332 in F'kj. 10). De meeldraden staan daarentegen recht overeind, kruisen in de geopende bloem de stempellobben onder een rechten hoek, en hun helmknoppen staan hooger dan het stempel weefsel. Zoodra de bloemen bij 't eind van den bloei dicht gaan, krommen zich de zes lobben omhoog en wel zoo ver, dat het stempehveefsel met het stuifmeel uit de helmknoppen in aanraking moet komen.

Bij verschillende Lipbloemigen en Lentibularieeën, heeft autogamie niet plaats door kromming van den stijl, maar door kromming van den stempel. Zoo bij voorbeeld kromt zich bij Gnleopsis och rolaten, Bleekgele Hennepnetel; bij Galeopsis tetmhit, Gewone Hennepnetel e. a., welker protandrische bloemen in den eersten tijd zóó zijn ingericht, dat bij bezoek van insecten kruisbestuiving niet kan uitblijven, tegen het eind van den bloei de met het stempehveefsel bezette top van den benedensten stempelarm zoo ver naar beneden en naar buiten, dat hij met de door stuifmeel bedekte helmknoppen der langere meeldraden in onmiddellijke aanraking komt. Bij vele

Sluiten