Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

springen reeds open in een tijd, als de bloem zich nog in den knoptoestand bevindt, en daar ze naar buiten zijn gekeerd, kleeft een deel van hun stuifmeel aan de aangrenzende bloemdckbladeren vast. Insecten kunnen in de open, schotelvormige bloem kruisbestuiving teweegbrengen. Als echter de avond valt, en de bloem zich sluit, heeft er autogamie plaats, daar na verloop van enkele uren de bloemdekbladeren juist zooveel langer worden, als noodig is, om het op hun binnenzijde vastgekleefde stuifmeel op de hoogte der stempels te brengen.

Wij zouden hier verder nog kunnen spreken van die Samenge stel dbloemigen, waarbij door verlenging van de lintbloemen en de daardoor teweeggebrachte opheffing van het eraan vastgekleefde stuifmeel autogamie tot stand komt. Bij de meeste, ja waarschijnlijk bij alle soorten van Cre pis, Streepzaad; Wtracium, Havikskruid; Leontudon, Hondsbloem en Hi/pochoefis, Biggenkruid, in welker hoofdjes de aan den omtrek staande lintbloemen veel langer zijn dan de bloemen van het middelveld, kan men duidelijk zien, dat bij gelegenheid van de sluiting der bloemhoofdjes in den avond de lintbloemen met hun binnenkant tegen het stuifmeel komen te liggen, dat uit de helmknoppenbuis der bloem in den loop van den dag naar buiten is gekomen. Hier blijft het den volgenden en ook nog den daarna volgenden dag vastgekleefd, en daar gedurende die beide dagen het lintje nog een paar millimeter in de lengte uitgroeit, wordt dit stuifmeel feitelijk een weinig opgetild. Intusschen is echter, uit de aangrenzende helmknoppenbuis, ook de stijl omhoog en naar buiten gegroeid, en de beide uiteenwijkende armen, die het voor bestuiving geschikte stempel weefsel dragen, staan nu op gelijke hoogte met het op de lintvormige bloemkroon afgezette stuifmeel. Sluit zich nu het bloemhoofdje weer, dan wordt het stuifmeel op de stempels overgebracht, en er heeft autogamie plaats. Deze inrichting van de randbloemen trekt te meer de aandacht, wijl er bij de schijfbloemen der hoofdjes van dezelfde planten geregeld geitonogamie wordt waargenomen, zooals op blz. 379 gezegd werd.

Een der eigenaardigste tot autogamie leidende inrichtingen bestaat hierin, dat door bijzondere draaiingen van de bloemkroon op liet einde van den bloei, poedervormig, uit de helmknoppen vallend stuifmeel naaide stempels wordt gevoerd. Ter verduidelijking hiervan willen we twee soorten van het geslacht I'edicularis, Kartelblad, iets nader beschouwen.

Allereerst de op Alpenweiden veel voorkomende Feit iculn ris incurnata, het Vleeschkleurig Kartelblad, dat den lezer op de afbeelding hiernaast wordt voorgesteld. I)e bloemen van deze planten zijn in aren gerangschikt, en hun ontwikkeling schrijdt van onderen naar boven voort, zooals aan Fiij. 1 te zien is. De bloemkroon is tweelippig; de lobben der onderlip zijn eerst omhooggericht, (zie F'kj. 2), later schuin naar onderen uitgespreid, zooals in F'kj. 4 en Fig. 6 te zien is. De bovenlip is als een helm gewelfd, en de top ervan heeft door een eigenaardige oprolling den vorm van een buis, zooals F'kj. 2 doet zien, en zooals ook blijkt uit de overige figuren tot 7 toe. De meeldraden zijn als strooiers ingericht, en de door de beenen der tang gedragen helmknoppen zijn verborgen, onder de helmvormige welving der bovenlip, (zie F'kj. 3, 5 en 7).

Sluiten