Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaam, dat den zaadknop draagt, navelstreng, funiculus, en het weefsel aan don voet der zaadknop chalaza, vaatmerk.

In den nieuweren tijd noemde men, om het noodige verband te houden met de benamingen der zoölogen, alleen dien protoplast, waaruit na do plaats gehad hebbende bevruchting de kiem ontstaat, het ei en de kern van dien protoplast ei kern. Wat de botanici, die zich met het onderzoek van het proces der bevruchting bezighouden, in den nieuweren tijd ei noemen, is dus slechts een klein gedeelte van het voorwerp, dat de morphologen vroeger ei hebben genoemd, en eveneens is het gesteld met den naam eikern, waaronder door do botanici van verschillende richting wezenlijk verschillende deelen werden verstaan. Om verwarring te voorkomen, is het in zulke omstandigheden raadzaam, de licht tot vergissing aanleiding gevende uitdrukkingen door andere, niet dubbelzinnige te vervangen. Om echter toch het zoozeer gewenschte verband met de in de zoölogie gebruikelijke namen te behouden, zullen in de volgende regelen, waar dat mogelijk is, de daar gebezigde uitdrukkingen er worden bijgevoegd.

De belangrijkste cel van den geheelen zaadknop is die, welke het oöplasma bevat. Wij noemen haar bij de hier allereerst in aanmerking komende Bedektzadige Phanerogamen of Angiospermen, juist als vroeger bij de Cryptogamen, oögonium. In vroegeren tijd heeft men die cel wel den embryozak genoemd. Hot oögonium der Bedektzadigen onder de Phanerogamen is een der vele cellen van dat weefsellichaam, dat de kern van den zaadknop uitmaakt en door ei vliezen of integum enten omgeven is. Zij overtreft in den tijd der paring alle naburige cellen in grootte. Deze laatste, veel kleinere cellen vormen er omheen een gesloten omhulsel, dat dezelfde rol speelt als liet amphigonium bij Mossen en Varens, en daarom ook bij de Phanerogamen het best als amphigonium wordt aangeduid. Zoo is dus het oögonium omsloten door het amphigonium en dit wordt weer omsloten door de integumenten.

De integumenten vormen geen volledig gesloten omhulsel. Er is een open gelaten plek, die, zooals reeds werd gezegd, poortje of micropylo wordt genoemd. Deze micropylo vormt bij alle Bedektzadige Phanerogamen, met uitzondering van de betrekkelijk weinige door chalazogamie bevrucht wordende soorten, waarvan op blz. 483 sprake was, de poort, waardoor de stuifmeelbuis of wel het daarin vervatte spermatoplasma tot het amphigonium toegang krijgt. Het amphigonium bestaat daar slechts uit een enkele laag cellen, en onder deze collenlaag bevindt zich liet met oöplasma gevulde, op nevenstaande afbeelding in drie ontwikkelingsstadia weergegeven oögonium (de kiemzak of embryozak). Het oöplasma splitst zich daarin, reeds vóór de met spermatoplasma gevulde stuifmeelbuis bij de micropyle is aangeland, in verschillende protoplasten, waarvan ieder een bolrond of ellipsoïdisch lichaampje vormt. Deze protoplasten hebben geen wand van cellulose, maar zijn desniettemin toch duidelijk begrensd.

Aan de naar de micropyle gekeerde uiteinde of pool, dat is aan den top van het oögonium zijn twee dier bedoelde protoplasten ontstaan, die den naam dragen van synergiden of helpsters. Aansluitend aan de synergiden is in

Sluiten