Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kern aanwezig. De vorming dezer spermakernen heeft reeds in liet inwendige van den stuifmeelkorrel plaats, nog vóór de stuifmeelbuis naar buiten komt. In de naar het vruchtbeginsel zich bewegende buis ziet men ze dicht achter den voortgroeienden top, en zelfs dan, als de stuifmeelbuis de micropyle heeft bereikt en erin is binnengedrongen, zijn de beide generatieve spermakernen nog duidelijk te herkennen. De vegetatieve is intusschen reeds opgelost en verbruikt.

Nadat de top der stuifmeelbuis het poortje of de micropyle gepasseerd is, ontmoet zij de cellenlaag van het amphigonium, baant er zich een weg door, zooals zij dat heeft gedaan door het weefsel van den stempel en den stijl, en komt zoo bij den top van het oögonium. Hier wordt zij door de synergiden ontvangen, die bij de nadering der stuifmeelbuis merkwaardige veranderingen ondergaan. Als de top der stuifmeelbuis bij den top van het oögonium is gekomen, ontstaan er op het naar het poortje gerichte gedeelte van elke synergide lengtestrepen, en er vormt zich daar een kapje, dat vloeibare stoften afscheidt. Ook trekt het protoplasma der synergiden zich samen en wordt sterk lichtbrekend. Deze veranderingen staan ongetwijfeld in verband met de taak der synergiden, het spermatoplasma van de stuifmeelbuis naar den embryoplast heen te leiden. Door de stoffen, welke de synergiden afscheiden, wordt namelijk de dunne celwand van het oögonium opgelost en door de samentrekking der synergiden moet er voor het spermatoplasma een weg worden gebaand naar den embryoplast. In veel gevallen bepaalt zich overigens de verandering niet slechts tot een samentrekking der synergiden, maar worden deze volkomen opgelost.

Zoodra de stuifmeelbuis genaderd is tot de protoplasten in den top van het oögonium, wordt haar celwand op de plaats van aanraking opgelost of ten minste zóó veranderd, dat hij geen bezwaar meer is voor het passeeren van het spermatoplasma. Het grootste deel van het spermatoplasma verlaat nu de stuifmeelbuis, die het tot nu toe heeft vervoerd, volgt den door de bovengenoemde veranderingen der helpsters gevormden weg en komt zoo bij den embryoplast. Tegelijk worden de beide spermakernen, die in den top van de stuifmeelbuis lagen, geleid naar den embryoplast (het ei.) De embryoplast neemt nu van de twee spermakernen de eene op, welke bij den tocht de voorste is geweest. De andere schijnt de beteekenis van een reservekern te hebben en zij komt alleen dan aan de beurt, als de eerste de ter bevruchting noodige vermogens of eigenschappen niet mocht bezitten. Overigens heeft men ook opgemerkt, dat door den embryoplast beide spermakernen werden opgenomen, wat mogelijk met de vorming van tweelingen verband houdt.

De opneming van de spermakern door den embryoplast heeft op de volgende wijze plaats. De spermakern komt van ter zijde tegen den embryoplast aan, dringt er binnen en nadert de in het onderste gedeelte van den embryoplast gelegen eikern. Heide kernen leggen zich tegen elkander aan, en dit proces wordt als do daad der bevruchting benchouwd. Of de zich tegen den embryoplast aan leggende spermakern volledig de substantie van den embryoplast doordringt en of een bepaalde vermenging der beide substanties plaats heeft, is nog een onbeantwoorde vraag. Evenmin is het reeds

Sluiten