Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plasma gevuld zijn. Bij de geslachten Cycas en Ginkgo komen uit dit spermatoplasma spermatozoïden voort, waardoor een groote overeenkomst met do Cryptogamen tot stand komt. Eveneens vertoont het vruchtbeginsel in zijn bouw eene onloochenbare gelijkenis op dat van bepaalde Cryptogamen, vooral van Mossen en Varens.

Er bestaat echter toch, wat de overbrenging van het spermatoplasma naaiden zaadknop betreft, een zeer belangrijk onderscheid tusschen deze Gymnospermen en de Cryptogamen. Het in spermatozoïden verdeelde spermatoplasma van de Cryptogamen wordt uit de antheridiën vrijgelaten en kan alleen zwemmend het vruchtbeginsel bereiken; het heeft op dezen tocht geen beschuttende omhulsels van cellulose noodig, ja zulk een wand zou in het water maar lastig zijn. Anders is het met de in de lucht bevrucht wordende Phanerogamen gesteld. Hij hen is voor het spermatoplasma de wand van cellulose van het grootste belang. In dit omhulsel besloten, kan het plasma verre tochten uitvoeren door de droogste lucht, zonder schade te lijden, en bovendien doet dan het omhulsel in den vorm van de stuifmeelbuis dienst als een veilig vervoermiddel, dat den weg voorschrijft, en dat eerst dan zich opent en zijn spermatoplasma met de spermakernen of de daaruit te voorschijn gekomen spermatozoïden vrijlaat, als het doel van den tocht, dat is de zaadknop, is bereikt. Deze laatste moge in zijn bouw aan het vruchtbeginsel der Mossen en Varens herinneren, het belangrijkste is toch altijd, dat bij de naaktzadige planten het spermatoplasma door middel van een stuifmeelbuis van cellulose naar die plaatsen wordt gevoerd, waar de vereeniging met het oöplasma moet plaats hebben. Op dit punt komen echter alle Cycadeeën, Coniferen en Gnetaceeën met de Bedektzadige Phanerogamen overeen en moeten dus ook als Phanerogamen worden beschouwd.

Elke zaadknop bevat bij do Gymnospermen of Naaktzadige Phanerogamen 2 tot 15 met oöplasma gevulde cellen, die oögoniën genoemd worden. Zij ontstaan steeds in het bovenste gedeelte van dat weefsellichaam, dat de kern van den zaadknop vormt, en dit weefsellichaam wordt door een veelcellig omhulsel, het integuinent of eivlies, als door een mantel omgeven. De plaats, waar het mantelvormige integument de kern van den zaadknop onbedekt laat en die soms slechts eene ondiepe inzinking, maar in de meeste gevallen een diepen trechter vormt, zooals op de afbeelding van blz. 487 in Fit/. 1 en op blz. 81 in Fi<j. 8 te zien is, wordt, evenals bij de Bedektzadige Phanerogamen, poortje of micropvle genoemd. De oögoniën ontwikkelen zich betrekkelijk laat. Men heeft aangetoond, dat ze bij de meeste soorten eerst dan ontstaan, als de micropyle reeds met stuifmeel in aanraking is geweest. De cellen, die liet uitgangspunt voor de oögoniën zijn, liggen steeds onder de micropyle. Elk daarvan splitst zich door de inschuiving van een tusschenschot in twee dochtercellen. De cel, die het dichtst bij het poortje ligt, verdeelt zich bij vele soorten opnieuw, maar do bij die gelegenheid ingeschoven tusschenschotten staan dan altijd loodrecht op het vroeger genoemde tusschenschot.

Bij een vergelijking met het vruchtbeginsel der Mossen en Varens komt

Sluiten