Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt, en die dezelide rol spelen als bij de andere Naaktzadige Phanerogamen de spermakernen.

De ontwikkeling van de kiem of hot embryo uit de kiemcel is bij de Bedektzadige en de Naaktzadige Phanerogamen verschillend. Bij de eerste vergroeit de kiemcel, nadat haar wand uit cellulose gevormd is. met den top van hot oögonium en verdeelt zich, 11a voorafgegane verdeeling van de celkern, door inschuiving van een dwars tusschenschot in twee cellen. Deze deeling wordt herhaald, en zoo ontstaat er een reeks cellen, die tot in het oögonium is doorgedrongen. De topcellen dier reeks worden dan ieder tot een kiem, de andere worden tot dragers van de kiem. De uitgegroeide kiem bestaat bij eenige woekerplanten en bij de Orchideeën uit een kleine groep van cellen, waaraan geenerlei tegenstelling tusschen as en bladeren is op te merken; bij de meeste Bedektzadige Phanerogamen echter is zij duidelijk gelood, en men kan er roods den aanleg van 0011 stengel, van oen eersten wortel en van bladeren aan herkennen, zooals de afbeelding van Deel II op blz. 285 in Fig. 1 en 2 laat zien.

Het meest in t oog vallend zijn de zaadlobben, die van het hypocotyle lid uitgaan, 011 die bij veel soorten, als bij voorbeeld bij Styplinolobiunt Jn/ioiiictuii, door overvloedig in de cellen gevormd chlorophyl groen gekleurd zijn. Bij vele planten, zoo bij voorbeeld bij Appels en Amandels, Boonen en Erwten, Oostindische Kers en Waternoot, alsook bij do Eiken (afgebeeld Dool II, blz. 2!)2 1'iij. 1 tot (!) worden de zaadlobben dik en opgezwollen, vormen zij de bewaarplaats van reservestoffen, leveren zij voorde uitgroeiende as van liet k ie inplant je de noodige bouwstoffen 011 vullen zij weldra de door de integumenten omsloten ruimte zoo geheel, dat er voor iets anders naast de kiem geen plaats meer overblijft.

I11 de meeste gevallen echter zijn de zaadlobben lijn en teêr, en de erin afgezette stoften zouden als bouwstoften voor de uitgroeiende as niet toereikend zijn. Dan wordt aan de kiem, die vroeger of later zich van de moederplant moet scheidon, voor den eersten tijd van haar zelfstandig bestaan, een voorraad voedingsstoffen in een afzonderlijk weefsel meegegeven. Dat weefsel, waarvan de cellen met meel, dat is met zetmeel en eiwit, en mot vet zijn volgestopt, beantwoordt aan den dooier in hot vogelei, en hot zou zeer wenschelijk zijn, als de botanici hot er over eens konden worden, liet ook bij de planten dooier te noemen. De velerlei namen, die dit roservevoedsel draagt, als endosperm, kiemwit, albumen, eiwitlichaam e. d. zijn zeer ongeschikt en verwarrend omdat ze in klank geheel of gedeeltelijk overeenkomen met de voor geheel andere stoften en vormingen in gebruik zijnde namen.

Het uitgangspunt voor dit weefsel, [dat wij in 't Hollandsch naar het gebruik hier te lande maar kiemwit zullen blijven noemen | vormen twee reeds vroegtijdig in het oögonium aangelegde kernen, waarvan do eene onder den ombryoplast, de andere boven de antipoden te zien is, zooals de afbeelding van Idz. 4<S!) en tig. 1 aantoont, en die men als bovenste en benedenste pool kern heeft onderscheiden. Dezo beide kernen, waaromheen zich een deel van het protoplasma ophoopt, komen nader bij elkander, zooals de afbeelding in t'ig. 2

Sluiten