Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevallen bruin, grijs of zwart, minder dikwijls geel en wit en slechts zelden rood. Welke beteekenis de verschillende slijmige omhulsels, de lagen van cellen, waaruit hij bevochtiging kleverige stoffen worden afgescheiden, verder de kleine groefjes en spleten, rimpels en knobbels, lijsten en netten, puntjes en tandjes voor het vasthouden der zaden op liet kiembed hebben, is reeds in Deel II op blz. 301 tot 310 uiteengezet.

Als de zaden door den wind moeten worden verspreid, ontstaan er op de buitenste laag van de zaadhuid vleugelvormige zoomen, de vleugels of alae, als bij voorbeeld bij do tot de Caryophylleeën behoorende Lepigonum marginatim (Sjtergularia murginal'), Gerand Spurriekruid, hieronder afgebeeld in Fig. 4; bij het zaad van de Kinaboomen, Cinchona-soorten, Fig. G en 7, en bij de tropische Vocligsiii Fig. 5, welke laatste, liet zij terloops opgemerkt, dooide over elkander heen gerolde zaadlobben van de kiem zich onderscheidt. Vaak

/iaden niet vleugolvormigen zoom en niet hangen zanamantol. I. upengesprongen vrucnr van de Katoonplant, Gossi/piuni herbacêtun. 2. Zaad van den K laterpopulier, l'opiihis trenm/a, niet liarigen zaadniantel. 8. Hetzelfde zaad, van dien mantel ontdaan. 4. Gevleugeld zaad van Lefjiffotnnn marginutum. 5. Doorsnede van hot gevleugelde zaad vnn Vocliyuia. 0. Gevleugeld zaad van den Kinaboom, Cinchona. Lengtedoorsnede daarvan. — Fig. 3 tot 7 vergroot. (Ten deile naar B.xii.lon)

gaan van de buitenste cellen der zaadhuid een menigte lange, dunne haren uit, zooals bij de Katoenplant, Gomjpium, (zie Fig. 1), en de Hriodciulron anfnictuosum, die de kapok levert.

Bij niet weinige planten ontwikkelen zich aan den voet van den zaadknop nog eigenaardige vormingen, die, als de kiem rijp is, als een mantel de uit de integumenten ontstane zaadhuid rondom omsluiten en onder den naam van arillus, zaadrok of zaadmantel bekend zijn. Deze zaadrok vertoont dezelfde verschijnselen als de reeds genoemde aanhangsels van de zaadhuid. Bij do Wilgen en de Populieren, (de zaden deze laatste hierboven afgebeeld in Fig. 2 en 3) bestaat hij uit lange, fijne haren; bij veel 1'assifloreeën, Sapindaceeën en Celastrineeën (zooals bij 't geslacht Kmiymus, waartoe onze Kardinaalsmuts behoort), doet de zaadrok zich voor als een brijige of vleezige,

Sluiten