Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

navel en poortje zich bevonden hebben, kenmerken, beantwoordt een eveneens merkwaardige bouw van liet inwendige van de zaadhuid op die plaatsen. Deze is eenigszins verklaarbaar, als men bedenkt, dat in vele gevallen de. er binnen rustende kiem het voor hare verdere ontwikkeling noodige water alleen door dit gedeelte van den zaadhuid kan betrekken. Hetzelfde weefsel, dat tot hiertoe een afsluiting moest vormen tegen verdamping .en verdroging, moet nu gaan werken als inrichting, die den watertoevoer regelt uit de aarde, waarin het zaad te kiemen wordt gelegd.

Daartoe is het voor alles noodig, dat door de verdeeling der weefselmassa s in de zaadhuid de voordeeligste stand van het zaad op het kiembed verkregen worde, en deze is dan bereikt, als die plaats van het zaad, waardoor naar de kiem er binnen water moet worden geleid, onmiddellijk op de vochtige aarde is gelegen. Daarom is in die gevallen, waarin de kiem het benoodigde water door den navelvlek moet betrekken, het zwaartepunt, dat bij het neervallen van liet zaad op den grond naar onderen gericht is, steeds in de nabijheid van die vlek gelegen. Ook is daar het weefsel voorzien van intercellulaire kanalen, die als plaatsen van doorlating voor liet water dienen. Dikwijls is daar een los weefsel van stervormige cellen ontstaan, waardoor het water als door een sponsje uit de omgeving opgezogen en in het inwendige van het zaad geleid wordt.

Bij die zaden, waarin het water niet alleen op bepaalde plaatsen, maar van alle zijden moet binnendringen, vindt men tusschen de verdikte, voor water ondoordringbare cellen, die do hoofdmassa van do zaadhuid vormen, over de geheele oppervlakte verspreid bepaalde reeksen van cellen, of fijne kanalen, die op den juisten tijd als plaatsen van doorlating voor het water gaan werken. Zoo bij voorbeeld vindt men bij de zaadhuid der zaden van Canna bovenop een laag dikwandige palissadencellen en daaronder nog 5 of (> lagen steenharde, overdwars gelegen cellen, die samen een zeer stevig pantser voor de kiem vormen. Maar de geheele oppervlakte van deze zaadhuid is ook bezaaid met uiterst kleine groetjes, die elk een huidmondje in de diepte hebben en daarin komen fijne kanaaltjes uit, die tusschen de palissadencellen door naar binnen leiden en het water daarheen doorlaten.

Met de hier behandelde ontwikkeling der zaden staat ook in nauw verband de verandering van het omhulsel, waarin de zaadknoppen geborgen waren, en waarbinnen de bevruchting plaatshad. Dit omhulsel droeg ten tijde van de bevruchting den naam stamper, als het de rijpe zaden bevat draagt het den naam van vrucht. Intusschen moet men wel bedenken, dat deze naam veelal niet alleen gebruikt wordt voor den na de bevruchting volledig ontwikkelden stamper, maar dat daaronder meest ook de andere deelen van de bloem, die vaak mede bij do vruchtvorming een groote verandering ondergaan hebben, begrepen worden. De veranderingen in die andere bloemdeelen hebben 11a de bevruchting alleen plaats, opdat de kiem, als het gewichtigste deel der vrucht, bij haar ontwikkeling in hare verbinding met de moederplant niet worde gestoord, en opdat zij ook 11a de afscheiding van do moederplant niet verloren ga, maar op een gunstige plaats te land komo. Daarom moeten

Sluiten