Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan ook alle bloemdeelen, die tot de bereiking van dit doel bijdragen, als doelen der vrucht worden aangemerkt. In zoo ver is dus hetgeen uit den stamper of uit liet vruchtbeginsel is ontstaan, slechts een gedeelte van de vrucht. Daar echter dit voornaamste gedeelte in de meeste gevallen het uiterlijk der geheele vrucht bepaalt, is het te begrijpen, dat de twee beteekenissen van het woord vrucht, de beperkte en de meer algemeene, niet altijd uit elkaar gehouden worden.

Als de uit den stamper voortgekomen vrucht geheel en al vleezig en sappig is geworden, noemt men haar een bes, bacca. Uit onderstandige vruchtbeginsels ontstaan onderstandige, uit bovenstandige vruchtbeginsels bovenstandige bessen. De bessen van het Bitterzoet, Solunum dulcamara; Wolfskers, Atropa belladonna; van Berberis, Berberis rutgaris, en den Wijnstok, Vitis vinifera zijn bovenstandig; die van het Vogellijm, Viscum album; van den Gewonen Vlier, Sambucus nigra, en van de Kruisbes, IIibes grossularia, zijn onderstandig. Als het buitenste deel der vrucht vleezig is en het binnenste, het zaad onmiddellijk omsluitende deel ervan is steenhard, dan noemt inon haar steenvrucht, drupa. Het steenharde binnenste deel van zulk een vrucht, heet de steen. De meeste steenvruchten, zooals die van de Kers, 1'runus avium, bevatten slechts één steen en één zaad; de vrucht van den Wegedoorn, lihamnus, heeft er twee, en in elk der steenen één zaad.

In vele gevallen is de vrucht door en door droog geworden. Van zulke droge vruchten onderscheidt men de niet-openspringende vruchten, fructus indehiscentes; de spl itvruchten, schizocarpia en de openspringende vruchten, fructus deliiscentes.

De niet-openspringende, droge vrucht opent of splijt zich nooit vanzelf. In den tijd der rijpheid valt zij niet de erbinnen besloten zaden van de moederplant af, en het gesloten blijvend omhulsel heeft ook tot taak, de verspreiding en de vestiging van het zaad tot stand te brengen. Is deze vrucht voortgekomen uit een bovenstandig vruchtbeginsel, als bijvoorbeeld bij de Linde, dan wordt zij noot, uur, genoemd; heeft zij zich ontwikkeld uit een onderstandig vruchtbeginsel, dan spreekt 111011 van een dop vrucht, ucheniuiii. Als het zaad met de binnenzijde van den vruchtwand volkomen is vergroeid, als bij.de Grassen, (zie de afbeelding van Deel II op blz. 285 in Fig. 3, 4 en 5), dan noemt men de vrucht graan vrucht, ca ry opsis. Bij vele planten bestaat liet omhulsel der noot uit een binnenste zeer harde en een buitenste zachtere laag, die lang sappig blijft, en dan herinnert zij aan de steenvrucht. Dat is bij voorbeeld het geval bij Duiven kervel, Fumaria, afgebeeld op blz. 502 in Fig. 1 en 2, en die vrucht is als een steenvruchtachtige noot te beschouwen. Gewoonlijk is de noot éénhokkig en bevat slechts een enkelen zaadkorrel. Veel zeldzamer zijn meerhokkige noten. Callitriclw, IIaarsteng, heeft een vierhokkige noot afgebeeld in Fig. 3 en 4 en deze vormt den overgang tot de zoogenaamde splitvruchten.

De splitvrucht, schizocarpimn, is in zekeren zin eene vereeniging van verschillende niet-openspringende vruchten. Twee of meer vruchtbeginsels sluiten

Sluiten