Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

later tot een kleine noot uitgroeit, zie de afbeelding van blz. 511. In Deel IV van dit werk vindt men een afbeelding van deze Indische Lotos in bloei.

Alles, wat tot hier toe over de ontwikkeling der kiem tot zaad, den overgang van vruchtbeginsel tot vrucht en over het aandeel der bloembekleedselen, alsook van de verschillende deelen van den stengel, in de vorming der vrucht is opgemerkt, heeft alleen betrekking op de Phanerogamen, voor zoover zij tot de Bedektzadigen behooren. De Naaktzadige Phanerogamen, vertoonen deze processen op een geheele andere manier. Op blz. 491 en volgende is hunne bevruchting behandeld ; daar is gezegd, dat de bevruchting plaats heeft door de vereeniging van een spermakern met de eikern, die het midden van een embryoplast inneemt. De embryoplast omgeeft zich nu bij do Naaktzadige Phanerogamen niet met een wand van cellulose en vergroeit ook niet met den top van het oögonium, zooals bij do Bedektzadigen, maar de kern van den bevruchten embryoplast, die kiemkern wordt genoemd, en die naar beneden zich verplaatst naar dat gedeelte van het oögonium, dat tegenover de micropyle ligt, verdeelt zich; de dan ontstane kernen verdeelen zich bij de meeste soorten nog eens, en alle kernen, die op deze wijze in het oögonium zijn ontstaan, omgeven zich met een laag plasma.

Bij de Gnetaceeën, die in zoo ver het meest op Bedektzadige Phanerogamen gelijken, dat hun bloemen voorzien zijn van een als bloemdek te beschouwen omhulsel, ontstaan door deze deeling 2 tot 8 dochterkernen, waaromheen zicli het plasma ophoopt, en die zich dan met een celwand omgeven. De op deze wijze ontstane cellen verbinden zich niet onderling. Kik van haar wordt tot een buis, die door den wand van het oögonium breekt en voortgroeit tot den voorraad reservevoedsel eronder. Van den top dezer buis wordt ééne cel afzonderlijk afgescheiden, en deze cel of wel de daarin wonende protoplast wordt nu de kiem. Zij groeit op kosten van den omringenden voorraad reservevoedsel en verdringt daarbij een gedeelte van het uitgezogen weefsel.

Bij de Zilversparren en de Gewone Sparren, bij de Dennen of 11 ijnboomen en andere Coniferen, die men onder den naam Abietineeën samenvat, ontstaan uit de bevruchte eikern, door herhaalde deeling in tweeën, vier dochterkernen, die zich met plasma omgeven. De zoo ontstane protoplasten trekken naar den bodem van het oögonium, groepeeren zich daar tot een rozet en scheiden ook cellulose af voor een celwand. De op deze wijze gevormde cellen deelen zich door inschuiving van overdwars loopende tusschenschotten, en er ontstaan drie verdiepingen van kruiswijs geplaatste cellen. Die van de middelste verdieping nemen de gedaante aan van gekromde en dooreen geslingerde buizen en groeien door den wand van het oögonium in hot daaronder liggend kiemwit door. De cellen der bovenste verdieping blijven in het oögonium achter; maar die der benedenste verdieping worden door de genoemde buizen tot in het kiemwit vooruitgeschoven, waar zij op kosten der hen omringende voedingsstoffen grooter worden, zich deelen en tot kiemen uitgroeien. Een groot deel van het kiemwit blijft overigens steeds achter en wordt eerst later gebruikt, als het rijpe zaad zich van de moederplant heeft afgescheiden. De kiem ligt dus in alle gevallen

Sluiten