Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Later worden die glucosiden omgezet; zij splitsen zich, door de in onrijpe vruchten overvloedig voorkomen zuren, in suikeren verschillende andere onschadelijke stoffen, en zoo komt het, dat hetzelfde weefsel, 'twelk tot nu toe scherp, zuur, oneetbaar en afschrikkend was, nu zoet en smakelijk is en gaat werken als een lokmiddel voor die dieren, die op later nog uitvoeriger te behandelen wijze voor de verspreiding der zaden zorgen.

Zeer leerrijk is in dit opzicht ook de Walnoot of Okkernoot, .Juglans regio. De noot blijft zoo lang omhuld door een aan tannine rijk, uiterst wrang, vleezig omhulsel, als de periode duurt, waarin het erin verborgen zaad nog niet kiemkrachtig is. Men heeft nog nooit gezien, dat dit omhulsel door een \ laamsche Gaai, Garrulus glandarius, of een anderen op noten belusten vogel werd aangeraakt. Zoodra echter het zaad rijp is, splijt het vleezig omhulsel, het wordt zwart, verschrompelt en valt in onregelmatige stukken van de noot af. Deze wordt daardoor zichtbaar en toegankelijk, en nu komen de Gaaien en andere dieren, die voor de verspreiding dezer vruchten moeten zorgen.

In vele gevallen zijn het niet juist bittere en zure, maar ook wel sterk riekende, harsachtige en kleverige stoffen, die de cellen en ruimten in de buitenste lagen der vrucht vullen, totdat het zaad er binnen in kiemkraclitig is geworden. Zoo bij voorbeeld zijn de schubben der kegels van de Arve, 1'inus cembra, tot de volkomen rijpheid van de door hen bedekte zaden buitengewoon rijk aan hars. Beproeft men met een nies in den kegel te snijden, dan hecht liet kleverige hars aan liet gladde mes en het kan daarvan slechts met moeite weer worden verwijderd. Als 1111 een Notenkraker, Xucifragn caryocatuctes, [een vogel, die ook bij ons zich 's winters 1111 en dan vertoont |, door openhakken van de schubben der kegels met den snavel, de zaden zou willen veroveren, zou hij zich met die hars vuil maken. Deze dieren laten dan ook wel 11a, 0111 dezen tijd de zaden uit de kegels te halen en wachten de volle rijpheid der zaden af. Is die bereikt, dan worden de kegels droog, de schubben gaan van zelf uiteen, en 1111 zijn de zaden gemakkelijk te krijgen.

Hoe dooi- deze vogels gezorgd wordt voor de verspreiding van de arvenoten, walnoten en dergelijke vruchten, zal in een later hoofdstuk worden uiteengezet. Hier moeten wij alleen nog melding maken van de door hunne kleverigheid en hun eigenaardigen geur voor de dieren onaangename bekleedsels van de oppervlakte der vruchten en vruchtomhulsels, als van weermiddelen tegen onwelkome aanvallen.

De peulen van verscheiden Vlinderbloemigen, met name van verschillende soorten van Ai/tuoca rpus, als Adcnoca i'j/us decorticans, Ailciiocarptis his/jaiiicu» e. a., zijn op de kiel en op de breede zijden dicht met kleverige, kort gestoelde, bruine klieren bezet, die zeker niet als middelen ter verspreiding, maar als verdedigingsmiddelen voor de in de peulen vervatte, rijpende zaden zijn te beschouwen. Hetzelfde geldt van de nootjes van Hennep, Cannabis satira; alleen is daar niet de vrucht, maar zijn de omwindselblaadjes, waarbinnen de vruchten verborgen zijn, nut kleverige, sterk riekende stoffen overdekt. Hij Hop, lluinuliis lupulus, zijn de schutbladeren, en wel die in de onmiddellijke

Sluiten