Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een steenharden vruchtwand geborgen, die een middellijn van twee centimeter heeft, en daar kunnen zij de grootste droogte jaren lang zonder nadeel weerstaan. Eveneens is liet gesteld met de zaden, die in de dikke doosvruchten van de australische soorten van Banksia en Eucalyptus zijn geborgen. Dat ook de vruchten der steppenplanten in den heeten, regenloozen zomer beschutting noodig hebben tegen het verdrogen van de ingesloten kiem, spreekt vanzelf. Onder deze planten moeten in 't bijzonder de hooge Schermbloemigen uit het geslacht Franyos en Cachrys worden genoemd, welker splitvruchten een dikke beschuttende laag bezitten, waarvan liet weefsel levendig aan het merg van den vlierboom herinnert. In dit omhulsel ligt de teére kiem voortreffelijk bewaard tegen de verdroging, en buitendien heeft deze vrucht vorm nog liet voordeel, dat bij bij betrekkelijk grooten omvang slechts zeer weinig weegt, zoodat de vrucht door den wind ver over de steppe kan worden verspreid.

Bij de openspringende vruchten duurt de beschutting tegen ongunstige klimaatstoestanden slechts zoo lang, als de kiem met de moederplant in verbinding blijft ; bij de niet-openspringende vruchten en do splitvruchten houdt

zij echter veel langer aan. De vruchtwand van de laatstgenoemde vruchten dient het zaad ook als voortuig op zijn reis en als hulpmiddel bij de nieuwe vestiging. Gedurende de reis en tijdens de vestiging kunnen er zich ongunstige omstandigheden voordoen, en het beschuttend omhulsel kan bij die gelegenheden voordo kiem nog zeer noodig worden. Dat in alle gevallen, waarin de vruchtwand of do omhulling en bekleeding der vrucht met do zaden mee van de moederplant losraken, die organen en aanhangselen, die men anders op de zaadhuid vindt, 1111 op den vruchtwand voorkomen of op de aan de vrucht vorming deelnemende

Kokorvrucht van bloem- en schutbladeren, spreekt eigenlijk van zelf.

A ylomelum pirxforme. XT. , ,, , , •'

Niet alleen dat de vruchtwand ot het vruchtomhulsel zóó

zijn ingericht, dat ze een veilig geleide vormen voor de zaden, 't zij in de

lucht of in het water, ook ter wille van do bevestiging op de nieuw gekozen

woonplaats is de oppervlakte, evenals anders de zaadhuid, mot kleine groefjes

en spleten, knobbels en wratten, lijsten en kammen, punten en kegels en ook

wel met kleefstoffen toegerust. Eveneens is het van belang, dat er op die

vruchten plaatsen zijn open gebleven, waar het weefsel doordringbaar is voor

water, of waar het gemakkelijk vergaat of uiteenvalt, en die bij de ontkieming

door het naar buiten groeiende worteltje van de kiem gemakkelijk kunnen

worden doorbroken, zooals dat bij voorbeeld bij de Water noot, Trapa nataas,

en het zaad van Typha, Lischdodde, het geval is. (Zie de afbeelding in

Deel II op blz. 292 in F'uj. 3, 4, 11, 12 en 13).

De ontwikkelingstoestand, waarin de kiem zich bevindt, als zij do moederplant verlaat, is zeer verschillend en vertoont een reeks van graden. Hij de Gingko, Ginyko biloba |de met Ta,run verwante, bjj

Sluiten