is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwijderd, dan ontstaat een klein heestertje, een boompje niet hontigen stam en houtige takken, dat, als men het eindelijk eens een jaar lang met rust laat, bezet is met honderden geurige bloemtrossen.

Dat ook overblijvende planten, door het wegnemen der bloemknoppen, ertoe gebracht worden, i n groot en o verv loed beb lader de spruiten en uitloopers te vormen, is al lang bekend. Daarop berusten allerlei wijzen van vermenigvuldiging, door kweekers en landbouwers op cultuurplanten toegepast.

In de vrije natuur heeft het wegblijven van bloemen soms plaats door te zware schaduw. Dit moet zóó worden opgevat, dat er planten zijn, die op schaduwrijke plaatsen of in 't geheel geen bloemen krijgen, of de aangelegde bloemknoppen niet tot verdere ontwikkeling, laat staan dan tot ontluiking vruchtvorming brengen. Als de zoo geplaatste planten het vermogen bezitten uit het onderste deel van hun stengel „afleggers" te vormen, zooals bebladerde loten, uitloopers e. a., dan komt dat vermogen op de beschaduwde plaatsen telkens in verhoogde mate aan den dag, in één woord, hoe meer door het aanwezig zijn van schaduw de vorming va n bloemen en vruchten beperkt is, des te meer wordt de ontwikkeling van spruiten en uitloopers bevorderd.

De Smalbladige Basterd wederik, Epilobium (mgustifolium, ontplooit b.v. alleen op zonnige, voor hommels en bijen toegankelijke plaatsen haar prachtige bloemen. Hoe krachtiger de zonneschijn, des te helderder is het purper der bloembladeren. Heeft zich de plantenwereld in de buurt van zulke rijkbloeiende exemplaren van deze overblijvende, kruidachtige gewassen zóó gewijzigd, dat de aanvankelijk in de zon geplaatste planten in dichte schaduw komen te staan, dan blijven de bloemknoppen, lang vóór ze zich hebben geopend, in ontwikkeling terug, en vallen witachtig en verdroogd van de bloemspil af. Terwijl echter de rijkelijk bloeiende planten slechts weinige, korte uitloopers vormen, ontstaan uit de in de schaduw geplaatste bloemlooze' planten lange onderaardsche loten, die als uitloopers ver voortkruipen en buiten het gebied van de schaduw trachten te komen.

Als een zeer merkwaardig verschijnsel moeten wij verder er hier nog op wijzen, dat overblijvende soorten, die in gunstige klimaatsomstandigheden overvloedig bloeien en vruchten voortbrengen. 111 streken met, een ruwer klimaat in 't geheel niet tot bloeien komen, maar daar integendeel in menigte andere zelfstandig levende deelen vormen, d. i. zich sterk door „afleggers" vermenigvuldigen en verspreiden. Over het grootste doel van het arctische plantengebied verspreid, leeft een met ons Groot Hoefblad na verwante Composiet, Nan/osmia frigida. Deze plant krijgt echter alleen aan de zuidgrens van haar verspreidingsgebied bloemen en vruchten; verder noordwaarts heeft nog geen menschelijk oog haar ooit zien bloeien; daarentegen vermeerdert ze zich daar overvloedig door uitloopers, die heinde en ver onder den grond voortkruipen en groote terreinen in belag nemen.