Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arenaria peploides, een soort van Zand kruid; Stellaria humifusa, een soort van liggende Steremuur; Cardamine pratensis, onze Pinksterbloem, en verschillende Zeggen en K anonkelachtigen komen op Spitsbergen maar zeer zelden tot bloei; maar zij vermeerderen zich er buitengewoon overvloedig door uitloopers, die vaak groote uitgestrektheden, vooral in de veenachtige streken en op het strand, overdekken. Eveneens is het in de Alpen gesteld met de Composiet Adenostyles cacaliae. In de bosschen op de Vooralpen en zelfs nog boven de woudgrens bloeit die plant in overvloed, en brengt er ook ieder jaar kiemkrachtige zaden voort; in 't gebied der Alpen daarentegen, op een hoogte van 2200 M boven de zee, brengt zij het nooit tot bloeien, maar krijgt wel overvloedig bebladerde loten als uitloopers, terwijl ze aldus de kleine inzinkingen op de hoogten met welig gebladerte vult.

In een klein moerasgebied van het hooggelegen Gschnitzdal in Tirol groeit ter hoogte van 1200 M de landvorm van Polygonum amphibium, Roode Veenwortel, de vorm die wel meer in het bijzonder Polygonum terrestre genoemd wordt, in tegenstelling met de in het water drijvende Polygonum natans. Sedert vele jaren heeft die plant [ten onzent in beide vormen vrij algemeen] daar echter nooit vruchten voortgebracht. Daarentegen woekert zij er met bebladerde uitloopers in buitengewoon weelderigen overvloed en vormt een gebied, dat als een breede gordel het moerassige terrein omgeeft.

Als nu de hier beschreven planten van Xardosmia frigida, van Adenostyles cacaliae en Polygonum amphibium uit hun koude, vorstige woonplaats worden weggenomen en in gunstiger omstandigheden geplaatst, vormen zij niet alleen bloemen, doch brengen ook kiemkrachtige zaden voort; maar de vermenigvuldiging door loten is dan zoo in 't oog vallend gering, dat men zou kunnen meenen, met een geheel andere plantensoort te doen te hebben, die zich uit de overgebrachte plant had ontwikkeld.

Bij deze gevallen van „vervanging" sluiten zich die aan, waarin ongeveer op de plaats der bloemen andere organen ontstaan, die een zelfstandig leven kunnen leiden. I)e Veel k n oo p igen: Polygonum bulbiferum en viviparum; de Steenbreken: Saxifraga cermia, nivalis en stellaris; de Bloembiezen: Juncus alpinus, Alpen Bloembies, en Juncus supinus, Moeras Bloembies, alsook de Grassen: Aira alpina, Festuca alpino, en rupicaprina, soorten van Zwenkgras; l'oa alpina en cenisia, soorten van Beemdgras, komen wel dikwijls met goed ontwikkelde bloemen en vruchten voor; maar in het hooggebergte, en meer nog in het arctische Floragebied, waar deze planten tegenwoordig hun vaderland hebben, treft men vaak genoeg ook planten aan met kleine knoppen, knollen of bollen in plaats van bloemen en vruchten, en men kan zich er gemakkelijk van overtuigen, dat deze „afleggers , van de moederplant afvallend, de uitgangspunten van nieuwe planten worden.

Bij de genoemde Veelknoopigen, waarop wij later, bij de bespreking van de verspreidingsmiddelen der planten, terugkomen, ontstaan in plaats van bloemen kleine knolletjes. De op nevensstaande afbeelding in Fig. 3 voorgestelde

Sluiten