Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

insecten met voorliefde vertoeven; maar toch ook nog in de dichte bosschen, in den loop des tijds uit de jonge aanplantingen ontstaan, en in welker schaduwrijke, aan bloemen arme diepten bijen, hommels, vliegen en vlinders zich slechts zelden vertoonen. In jonge bosschen en dichtbij den zoom van het woud ontwikkelen zich uit de door vliegen en bijen bezochte bloemen overal hauwen, in de eenzame diepte van het groote woud daarentegen bloeien en verwelken de meeste schermvormige bloemtrossen, zonder bezoek van insecten te hebben gehad. De meeste vruchtbeginsels gaan daar te niet, verwelken en vallen af en slechts zelden komt er eens een enkele zaaddragende hauw tot ontwikkeling, zooals de afbeelding op blz. 540 in Fig. 2 laat zien.

In dezelfde mate echter, waarin de vruchtvorming is beperkt, wordt die van afleggers bevorderd. In de bladoksels komen groote, op bollen gelijkende knoppen voor den dag, die zich, zoodra de volle zomer in het land is. losmaken van de geel en dor geworden plant, daarna weggeslingerd worden, door den in den wind heen en weer schommelenden stengel, op den vochtigeu grond in het loofbosch terecht komen, daar wortel slaan, zooals nevenstaande afbeelding in Fig. 4 laat zien en tot onder den grond voortkruipende wortelstokken uitgroeien, zooals die afbeelding in Fig. 5 er een vertoont, üp de schaduwrijkste plaatsen van het woud treft men ook planten aan, die zelfs aan den top van den stengel geen bloemen ontwikkelen en dus geheel op een vermenigvuldiging door bolletjes zijn aangewezen. Zie Fig. 3.

Van de Oranje Lelie zijn er in Europa tweeërlei vormen. De eene vorm, die hoofdzakelijk in de Pyreneeën en in Zuid-Frankrijk voorkomt, LiHum croceum, brengt bijna altijd vruchten met kiemkrachtige zaden tot rijpheid, maar vormt in de oksels zijner groene bladeren geen bolletjes. De andere, die in de dalen der Centraal Alpen en wel der noordelijkst gelegene veel voorkomt, Liliuw bulbiferum, brengt slechts bij groote uitzondering vruchten tot rijpheid, maar ontwikkelt in de bladoksels op bollen gelijkende organen, die tegen den herfst los raken en door den in den wind schommelenden stengel worden afgeworpen. En toch is er in den bouw der bloemen bij deze beide vormen van Leliën geen onderscheid, en men kan zich het verschil in de wijze van vermenigvuldiging moeilijk anders verklaren dan door aan te nemen, dat in die landstreken, waar nu de vorm Lilium bulbiferum groeit, de insecten ontbreken, welke het stuifmeel van de eene bloem op de andere zouden moeten overbrengen. Daar bij de Oranje Lelie autogamie niet plaats heeft, ontwikkelt de plant geen vruchten, als insectenbezoek uitblijft. Het schijnt trouwens, dat zij het vermogen heeft verloren, zich langs den weg der autogamie te vermenigvuldigen. Ten minste de overbrenging van stuifmeel op den stempel van dezelfde bloem, waaruit het stuifmeel afkomstig was, had bij planten, die in den tuin gekweekt waren, nooit de vorming van vruchten ten gevolge. Daarentegen ontstaan er op die planten overvloedige bolletjes, die de vermenigvuldiging en de verspreiding op zich nemen. In verscheiden dalen der Centraal Alpen heeft deze Lelie in 't geheel geen bloemen en is er tegenwoordig aangewezen op de vermenigvuldiging door de bolletjes in de oksels.

Sluiten