Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vuldigste navorschingen waren te vergeefsch, en als vaststaand mag worden aangenomen, dat in het Oostzeegebied door de hier bedoelde Kranswieren geen antheridiën en dus ook geen spermatozoïden worden gevormd. De poging, de zaak zóó te verklaren, dat in den tijd als de oügoniën geslachtsrijp worden, uit de waterplassen van Zuid-Frankrijk, uit Hongarije of van de Kaspische Zee mannelijke geslachtscellen van Chara crinita door watervogels naar het Oostzeegebied zouden kunnen worden gebracht, moet eveneens verworpen worden, en uit alles blijkt, dat in het Oostzeegebied het oöplasma in de oügoniën van Chara crinita onbevrucht blijft.

A\ anneer niettemin do in den herfst afvallende en in het slijk overwinterende oügoniën in het daaropvolgend jaar zich verder ontwikkelen, wanneer dan het onbevruchte oöplasma zich deelt en tot uitgangspunt voor een nieuw individu wordt, dan hebben wij hier een van die gevallen, die door de zoölogen als parthenogenesis of maagdelijke voortplanting worden aangeduid en bij dieren niet zeer zeldzaam zijn. Ofschoon er dikwijls aan is getwijfeld, heeft men nu toch beslist aangetoond, dat uit de onbevruchte eieren der Sparrebl ad luis, Citermes, en van de Gewone Bladluis, Aphis, en eveneens uit die van verschillende gezellig levende bijen, wespen en blad wespen levenskrachtige individuen te voorschijn komen. Ook van het geslacht van kleine motvlindertjes, Solenobia, en van de Zijderups is het bekend, dat uit onbevruchte eieren rupsjes kruipen, die zich verder ontwikkelen en verpoppen, waarbij nog moet worden opgemerkt, dat uit zulke poppen altijd weer enkel wijfjes te voorschijn komen. Dit is in zoo ver belangwekkend, dat er ook uit de onbevruchte oögoniën van Chara crinita altijd slechts individuen met oögoniën voortkomen.

Evenals bij Chara crinita heeft men ook bij verschillende andere in het water of op vochtigen, met water doortrokken grond levende sporeplanten parthenogenesis waargenomen, in het bijzonder bij wieren en zwammen. Hij het tot de Mucoraceeën behoorende geslacht Syzygites heeft men gezien, dat het protoplasma in de tot conjugatie bestemde uitstulpingen ook dan tot uitgangspunt voor een nieuw individu werd, als er geen conjugatie, dat is geen bevruchting plaats had. Evenzoo wordt het oöplasma in de oögoniën der Saprolegniaceeën soms tot uitgangspunt voor een nieuw individu, zonder dat de verbindtenis met een antheridium is voorafgegaan, en verdere onderzoekingen zullen zeker ook nog voor veel Peronosporaceeën, Siphonaceeën e. d. een zoodanig gedrag aan het licht brengen.

Ook bij de Mossen is parthenogenesis volstrekt geen zeldzaam verschijnsel. Evenals bij de Kranswieren heeft bij de Mossen een bevruchting enkel plaats onder medewerking van water en 't veelvuldigst van dat water, dat als regen en dauw optreedt, alle tusschenruimten in een moskussen vult en door bijzondere inrichtingen daar lang wordt vastgehouden. Het bevruchtende protoplasma moet hierbij van plaats veranderen; de spermatozoïden moeten een eind ver door het water zwemmen, om bij de vruchtbeginsels te komen. Bij de éénhuizige en ook bij veel tweehuizige Mossen is dit eindweegs slechts kort, en

Sluiten