Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kruisbestuiving mogelijk, en wel schijnt allereerst naar een kruising tussclien tweeërlei soort te zijn gestreefd, en eerst dan, als deze niet tot stand komt, wordt tot kruising tussclien individuen van dezelfde soort overgegaan, zooals op blz. 373 is besproken. Wat geschiedt echter, als bij de tweehuizige planten de kruisbestuiving op de eene of andere wijze verhinderd is V Het zou in strijd zijn met de economie der plant, dat het vruchtbeginsel, welks voortbrenging der plant veel arbeid heeft gekost en dat in zekeren zin de sluitsteen is van 't geheele plantengebouw, zoo nutteloos en ongebruikt zou verwelken en vergaan. De van tweeslachtige bloemen voorziene planten hebben, voor bet geval, dat bij hen kruisbestuiving uitblijft, het vermogen, door zelfbestuiving vruchten voort te brengen, maar dat vermogen missen natuurlijk de tweehuizige planten, en bij hen kan dus het ontstaan van kiemen uit onbevruchte vruchtbeginsels beschouwd worden als een vergoeding voor 't gemis van autogamie, of misschien beter gezegd, als een inrichting tegen de verspilling der voor den bouw van het vruchtbeginsel gebruikte stoften en liet daarvoor aangewende arbeidsvermogen. Eenjarige tweehuizige planten zouden ook aan het gevaar blootgesteld zijn, dat bij het wegblijven van 't bevruchtende stuifmeel en het daardoor veroorzaakte uitblijven der vruchtvorming, de soort niet in stand bleef, of met andere woorden, het sterven der afzonderlijke planten zou bij hen ten gevolge kunnen hebben, dat de geheele soort uitstierf, waartoe die planten behooren.

Tegen zulke gebeurlijkheden, is, zooals men weet, de natuur op alle mogelijke manieren op hare hoede. Onder de ertegen aangewende middelen komt er geen enkel zoo veelvuldig voor als de voortplanting langs vegetatieven weg. door afleggers. De uit zulke deelen, als knoppen, uitloopers, knollen en bollen ontstaande bebladerde loten zijn in de volste beteekenis van het woord producten van de zucht tot zelfbehoud. In dezen zin zou men dus het ontstaan van nieuwe planten uit onbevruchte vruchtbeginsels bij tweehuizige planten eveneens als een maatregel ter voorkoming van liet uitsterven der soort kunnen beschouwen.

Tegen deze opvatting pleit, wel is waar, de ervaring, dat uit de vruchtbeginsels van verscheiden tweehuizige planten, die niet met stuifmeel in aanraking komen, geen vruchten ontstaan, en dat zij ook niet langs vegetatieven weg voor de instandhouding der soort zorgen. In den Botanischen Tuin te Weenen staat al vele jaren lang een boschje van de Obione luiliiinfolia uit Californië. Deze plant is tweehuizig. Het eenige in Weenen gekweekte exemplaar heeft niet anders dan vrouwelijke bloemen; stuifmeel van deze plantensoort is op 100 mijlen in het rond, ja waarschijnlijk in geheel Europa niet te krijgen. Op de stempels van deze Obione komt dus geen stuifmeel van deze soort. Tegen den herfst neemt het vruchtbeginsel wel in omvang toe, ook het bloemdek, dat het beschut, groeit uit tot aanmerkelijke grootte, en liet geheel maakt den indruk van een welgevormde vrucht. Maar de vruchten zijn alle loos, dat is, zij brengen geen kiemkrachtige zaden voort. Evenmin is er in dit geval in plaats van de vrucht een plantendeel ontstaan, dat de voortplanting langs vegetatieven weg op zich neemt. Of niet vroeger of later bij deze plant enkele onbevruchte zaadknoppen nog eens zullen overgaan tot de vorming van afleggers, valt niet te zeggen.

Sluiten