is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de op uitwerpselen van rendieren, runderen en andere herkauwers groeiende «Splachnaceeën, als Splachnum luteum, vasculosuni en ampullaceum [de laatste ook ten onzent, ofschoon vrij zeldzaam voorkomend]. Verder vindt men daar afgebeeld de in Deel II op b!z. 17 besproken Schislosteqa osmimdacea, het Lichtend mos, en op blz. 15 is voorgesteld een I'olytrichum, een linjum een W/locomium, een Andraea en een Sphagnum, Veenmos.

De sporen, die men heeft te beschouwen als eencellige kiemen, door ongeslachtelijke voortplanting ontstaan, dus als zoogenaamde „afleggers," zetten Zich op een vochtige onderlaag vast en beginnen er te ontkiemen, zooals op de afbeelding van blz. 559 in Fig. 1 te zien is, dat wil zeggen, er groeit een buisvormige cel naar buiten, die zich door deeling vermenigvuldigt en tot uitgangspunt wordt voor een open cellennet, 't welk voor het bloote oog een spinsel van fijne draden gelijkt, zooals de afbeelding van blz. 559 in Fig. 2 laat zien. Men heeft er den naam van protonema aan gegeven. Lenige cellenreeksen van liet protonema zijn bruin of bijna kleurloos en dringen binnen in den vocht.gen ondergrond, werkend als wortelharen; de andere zijn helder groen gekleurd en spreiden zich uit over den grond. Uit enkele der groene cellen van het protonema komen na eenigen tijd kleine knoppen te voorschijn zooals de genoemde afbeelding in Fig. 3 voorstelt. Zulk een knopjo verdeelt zich m een as en in groene blaadjes, en buitendien komen nog, van de as uitgaande, tusschen de blaadjes verborgen, geslachtsorganen te voorschijn, zooals vroeger op de afbeelding van blz. 15 in Fig. 10 is voorgesteld. Het uit de bevruchte eicel voortkomende sporenkapsel, met zijn steel, maakt dus de ongeslachtelijke, het de geslachtsorganen dragende mosstengeltje de geslachtelijke generatie uit.

Bij de Lever mossen, Hepaticae, bezit de geslachtelijke generatie in vele gevallen geen stengeltje, maar is een vertakt groen lichaam, dat op een thallus gelijkt. Ook de ongeslachtelijke generatie vertoont velerlei afwijkingen, maar in de hoofdzaken bestaat er, wat de generatiewisseling betreft, geen verschil tusschen lever- en bladmossen.

De generatiewisseling van do Rood wieren of Florideeën gelijkt in zoover oj» die der Blad- en Levermossen, dat de langs geslachtelijken weg voortgebrachte vrucht, (zie blz. niet de moederplant verbonden blijft, en in dat verband tot een tweede generatie uitgroeit, die den vorm heeft van een doos of kapsel, hier het carpogonium genoemd, waarin de sporen ontstaan. De ■sporen worden uit hun omhulsel vrijgelaten, verspreiden zich in het omringende water, zetten zich vast op de eene of andere onderlaag en vormen het begin van de geslachtelijke generatie, dat is de generatie die weer geslachtsorganen heeft en vruchten voortbrengt.

Op welke wijzede generatiewisseling bij de Spitssporigen, Peronosporaceae, geschiedt, werd op blz. 59 en 60 besproken en door afbeeldingen verduidelijkt. Ook de generatiewisseling van do Siphonaceeën, vooral die van het geslacht I 'aucheria, wordt duidelijk uit de verbinding van het op blz. 60 en 1)1 behandelde met wat in Deel I op blz. 2^ is gezegd. Een in 't oog vallende

A. Kkuxkr vdn Mariladk. net leven der planten. III. '{/;