is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vóór alles het inzicht in de oorzaken, welke een blijvende vormverandering kunnen teweegbrengen, daar alleen hierdoor de vraag naar het ontstaan van nieuwe soorten nader bij de oplossing kan worden gebracht. Vóór wij echter tot de uiteenzetting van deze hoogst belangrijke vragen overgaan, moet het wezen der soorten aan eene beschouwing worden onderworpen en allereerst moet worden vastgesteld, wat men onder soort heeft te verstaan.

Hot begrip soort werd het eerst door Linnaeus in de wetenschap ingevoerd, en ook het Latijnsche species, dat door het Duitsche „Art" en het Hollandsche „soort" gedekt wordt, is van dien grooten meester der botanische wetenschap afkomstig. Linnaeus houdt vast aan deze grondstelling, dat iedere soort uit gelijkgevormde individuen bestaat, die door hunne afstamming met elkander samenhangen en onveranderde nakomelingen zijn van één of twee oorspronkelijke voorouders. Dat Linnaeus in de nu levende individuen de voortzetting, de door verjonging ontstane deelen van één en hetzelfde levende wezen ziet, dus de soort niet opvat als een denkvorm van den menschelijken geest, maar als iets werkelijks, als iets dat inderdaad bestaat, is zeker van groot gewicht.

Om te kunnen beoordeelen, welke individuen gelijk van vorm of wel gelijksoortig zijn, worden de door onze zinnen waarneembare eigenschappen, vooral de gedaante en de bouw van het plantenlichaam in aanmerking genomen. Elke soort of species heeft haar eigen kenmerken of kenteekenen, en alle individuen, die met die specifieke kenmerken worden geboren, worden beschouwd als tot dezelfde soort te behooren. De specifieke kenmerken zijn erfelijk en komen in de nakomelingschap onveranderd weer voor den dag. Er zijn echter ook kenmerken aan de planten, die niet erfelijk zijn, maar afwisselend nu wel, dan niet optreden, naar gelang de individuen op deze of op gene standplaats zich hebben ontwikkeld, dus die als de uitdrukking van bepaalde, op het plantenleven invloed uitoefenende uitwendige omstandigheden moeten worden beschouwd. Daarin ligt volgens Linnaeus het wezen van de verscheidenheid of v a r i ë t e i t.

De individuen van elke soort kunnen variëeren; maar deze veranderingen blijven niet in wezen bij de nakomelingschap, doch verschillen al naar de standplaats en naar andere uitwendige invloeden. Daarom moet inen naar de voorschriften van Linnaeus, tweeërlei kenmerken of kenteekenen in aanmerking nemen, die, welke onbestendig en niet erfelijk zijn, en die welke bestendig en erfelijk zijn ook bij de meest verschillende plaatselijke omstandigheden. Aan de eerste is de soort, aan de tweede de variëteit te herkennen. Elke soort , of species kan te gelijk in verschillende variëteiten optreden; hare specifieke kenmerken blijven echter desniettegenstaande onveranderd. Als zich in de nakomelingschap de specifieke kenmerken hebben veranderd, dan behoort deze nakomelingschap tot eene nieuwe soort, of misschien beter gezegd, het met nieuwe specifieke kenmerken in 't leven getreden individu kan het uitgangspunt worden van een nieuwe soort.