Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•Een tijdlang heeft de meening gegolden, dat men tweeërlei protoplasnia kon onderscheiden, liet idioplasma en het cytoplasma. liet eerste zou de vormgevende werkzaamheid ontvouwen, terwijl het laatste alleen als voedend protoplasnia dienst doet.

Nadat men namelijk had ingezien, dat in eiken protoplast een onder den naam celkern bekend gedeelte het geheel beheerscht, vooral in zake den houw en de vernieuwing van den celwand, en dat zij ook bij de deeling en de vermenigvuldiging de leidende, regelende rol op zich neemt, meende men gerechtigd te zijn tot de opvatting, dat alle verschijnselen, die den vorm betreften, enkel door tusschenkomst der celkernen plaats hebben. Diensvolgens zou het ter verklaring van het gelijkblijven der zich verjongende soorten vooral op do specifieke gesteldheid van de celkernen aankomen.

Daar een van deze celkernen, met name do kiem kern (zie blz. 4!)1 van Deel lil) bij de geslachtelijke voortplanting het begin is van het nieuwe individu, werd de hypothese gesteld, dat het gelijkblijven van den vorm in de nakomelingschap, of met andere woorden de erfelijkheid van den vorm, op de specifieke gesteldheid van het protoplasnia in die kiemkern berustte.

Tegen deze hypothese valt op zich zelf niets in te brengen; maar als daaraan de verdere veronderstelling wordt verbonden, dat in 't algemeen jonge individuen, waarbij de eigenschappen en kenmerken der soort onveranderd terugkeeren, enkel uit, het protoplasnia van deze kernen kunnen voortkomen, dan kan men daarmee niet meegaan. Duizenden van plantensoorten verjongen zich in onveranderde vormen langs ongeslachtelijken weg door middel van sporen, bollen, knollen, knoppen, stekken en andere zoogenaamde „afleggers", /ooals reeds herhaaldelijk werd gezegd, kan elke jeugdige cel van een plant het uitgangspunt worden van een tot zelfstandige plant uitgroeiend deel, dus tot begin van een individu, en het langs dien weg ontstane individu heeft dezelfde kenmerken te vertoonen, als de plant, waarvan het afkomstig was. Men mag zelfs beweren, dat bij verjonging en voortplanting langs vegetatieven weg de kenmerken der soort met veel meer zekerheid overgaan op de nieuwe individuen, dan bij de verjonging en voortplanting langs generatieven weg, en in een later hoofdstuk zal worden aangetoond, hoe alleen de geslachtelijke voortplanting de mogelijkheid biedt, dat een nakomelingschap met veranderde kenmerken ontstaat.

De meening, dat het de celkern omringende gedeelte van een protoplast, t welk men njtoplasma heeft, genoemd, voor de vormverschijnselen niet van beteekenis is, Iaat zich niet in overeenstemming brengen, noch met de resultaten der studiën over het ontstaan van de zoogenaamde gallen, waarover wij later uitvoerig zullen spreken, noch met de ervaringen over de vorming van bastaarden. \ ooral pleit daartegen het feit, dat door de kruisbestuiving tusschen verschillende soorten niet alleen een verandering van vorm van het uit de kiemkern ontstane nieuwe individu, maar ook eene vormverandering van het weefsel in de omgeving van het zaad wordt veroorzaakt, dat uitsluitend onder den invloed staat van het cytoplasma, en we! zoo. dat reeds aan

Sluiten