Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laag dienende gesteente. Het resultaat dezer studie was het werk „Over den invloed van den bodem op de verspreiding der planten, aangetoond in den plantengroei van Noordoostelijk Tirol", dat een baanbrekend boek werd met betrekking tot de vraag in quaestie. Vooral vond de hier ingevoerde terminologie spoedig ingang in de botanische werken van dien tijd.

Unger had met het oog op de beide in de gesteenten van kalkgebergten en leisteengebergten op den voorgrond tredende stoffen, kalk en kiezel zuur, de planten van het door hem onderzochte gebied naar hun groeiplaatsen verdeeld in kalkplanten en kiezelplanten, en hen in rubrieken gerangschikt, die moesten aantoonen, hoe bepaalde soorten elkander op de kalkrijke en de kiezelrijke gesteenten vervingen. Dat op die merkwaardige vervanging een reeks zeer interessante hypothesen werden gebouwd, spreekt van zelf. Als de op kalkachtigen grond veel voorkomende soorten Gentiana Clusii, Hutchinsia alpino,?n Juncus monanthos op leisteengronden door de er veel op gelijkende, maar toch nog duidelijk ervan te onderscheiden soorten Gentiana acaulis (excim), Hutchinsia brevicaulis en Juncus trifidus werden vervangen, dan lag het voor de hand, aan te nemen, dat het verschil in vorm veroorzaakt werd door den invloed van liet onderliggend gesteente, ofwel van de in dat gesteente op den voorgrond tredende stoffen, kalk en kiezelzuur.

Hoe zich echter die invloed doet gelden, of kalk en kiezelzuur bepaalde verbindingen in de planten aangaan en daardoor liet uitwendig voorkomen veranderen, of dat liet verschil slechts daardoor wordt teweeggebracht, dat elke plantensoort een bepaalde hoeveelheid kalk of kiezelzuur noodig heeft, en dat in geval die hoeveelheid niet in den grond te vinden is, zij hare uitwendige gedaante verandert, of dat misschien de physische eigenschappen, met name de poreusheid, de waterhoudende kracht en de specifieke warmte van het onderliggende gesteente meer dan de chemische gesteldheid op de vormen der planten invloed hebben, was nog niet uit te maken en zou misschien door proeven kunnen worden aangetoond.

Unger en zijne aanhangers meenden, door vergelijking van do chemische samenstelling der plantenasschen met de samenstelling van den grond, waarin de bedoelde planten waren opgegroeid, liet raadsel te zullen kunnen oplossen. Maar de resultaten van de daarop betrekking hebbende proeven waren ver van bevredigend. De beide genoemde stoffen, op welker aanwezigheid men in 't bijzonder nadruk meende te moeten leggen, werden in de meeste der onderzochte aardsoorten aangetroffen. Het kalkhoudende veldspaat, de hoornblende en andere mineralen in de kristallijne leisteensoorten leverden rijkelijk zooveel kalk aan de aarde als de kalkplanten noodig hebben, en de kalkgesteenten, die bijna alle klei bevatten, ruim zooveel kiezelzuur, als de kiezelplanten behoeven.

Ook bleek het, dat de planten het vermogen bezitten, de stoffen, welke voor hen van beteekenis zijn, ook dan te erlangen, als die in de omgeving hunner wortels slechts in uiterst geringe, nauwelijks weegbare hoeveelheden aanwezig zijn, dat ze om die reden voor bepaalde stoffen zelfs als accumulatoren

Sluiten