Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit een zeer zwakke oplossing van keukenzout, soda, gips, dubbelkoolzure kalk enz. kunnen de wortelharen zooveel opnemen, als zij behoeven: eene geconcentreerde oplossing van deze zouten kan echter den bouw en de functie der wortelharen verstoren en zelfs vernietigen, en als die geconcentreerde oplossingen eenigen tijd achtereen kunnen werken op de voor de opneming van anorganisch voedsel bestemde cellen, is de dood der plant onvermijdelijk. Wanneer men de op granietblokken groeiende Mossoorten drenkt met een verzadigde gipsoplossing; als de grond, waarin onze weidegrassen hun wortels uitzenden, met een verzadigde oplossing van keukenzout wordt begoten; als bij den humus, waarin hoogveenplanten worden neergezet, koolzure natron of dubbelkoolzure kalk wordt gevoegd, gaan de bedoelde planten onvermijdelijk te gronde, en dezelfde minerale stoffen, die in zeer verdunde oplossingen een behoefte waren of ten minste niet nadeelig werkten, worden in geconcentreerde oplossingen tot vergiften.

De omstandigheid, dat de eene plantensoort aan deze, de andere aan die minerale stof de voorkeur geeft (men zie Deel I op blz. 82), maakt het echter ook waarschijnlijk, dat de nadeelige werking der in de aarde in grootere hoeveelheid aanwezige stoffen verschillend is, en dat op de eene soort een grootere hoeveelheid van kalkzouten, op de andere een grootere hoeveelheid natronzouten, kalizouten enz. nadeelig werkt. Van liet tegenwoordige standpunt onzer kennis over de opneming van anorganische stoffen in do plant schijnt dus de door Ungior voorgestelde indeeling in kiezelplanten en kalkplanten in den zin van kiezel- en kalkminnende planten niet langer juist; men zou eerder moeten spieden van kalkschuwende, kalischuwende planten enz.

Het verschil in het plantenkleed van dicht bijeen zich verheffende en aan dezelfde klimaatsinvloeden blootgestelde kalkbergen en leisteenbergen, dat in liet gebied der Alpen op zoo talrijke plaatsen wordt waargenomen en vooral zoo in 't oog vallend te bespeuren is in de buurt van Kitzbiihel, zou zich na deze uiteenzettingen liet best aldus laten verklaren: dat de naar kiezel begeerige plantensoorten in het kalkgebergte op al die plaatsen ontbreken, waar hunne wortels in aanraking komen met eene de maat van het onschadelijke te boven gaande hoeveelheid kalk, 't geen dan ten gevolge heeft, dat ze ziek worden en ondergaan in den strijd met die concurrenten, voor wie de grootere hoeveelheid kalk niet nadeelig is, zoodat ze ten slotte uitsterven.

Op do leisteengebergten daarentegen zullen deze planten zich weelderig ontwikkelen, omdat daar de kalk in een niet schadelijke hoeveelheid in de aarde aanwezig is. Het ontbreken van kalkplanten in het leisteengebergte laat zich op dezelfde wijze verklaren. Als zaden van deze planten uit het naburige kalkgebergte op vleugelen van den wind worden aangevoerd en ontkiemen, dan is toch hun verdere groei zichtbaar achterlijk; zij sukkelen op al die plaatsen, waar hun slechts zeer weinig kalk ter beschikking staat, en worden er door de daar welig groeiende, zoogenaamde kalkminnende soorten overweldigd 011 verdrongen.

Sluiten